De dood mag je niet verprutsen

Recensie van Costica Bradatan, Sterven voor een idee. Filosoferen met gevaar voor eigen leven. Utrecht: Ten Have, 319 pag., € 24,99.

 
Kaft BradatanStel. Socrates was indertijd beleefd gebleven tegen zijn jury, in plaats van die te bespotten. Stel dat hij zijn rechters had overtuigd van zijn nog te verwachten verdiensten voor Athene en de gehele toekomstige beschaving. Stel dat hij zich had laten verbannen of met de hulp van zijn rijke vrienden was ontsnapt. Dat hij een respectabel aantal decennia later nog wijzer gewoon van ouderdom was overleden. Elk ruimdenkend mens zou het hem gegund hebben. Toch?

Het punt is alleen, dat u en ik zijn naam dan maar vagelijk zouden kennen. Hij heeft nooit een regel op papier gezet. Waarom zou je met zo’n man de geschiedenis van de westerse wijsbegeerte laten beginnen? Waarom? Wel, omdat Socrates’ faam en betekenis voor de filosofie hoofdzakelijk in zijn dood blijkt te steken, in zijn weldoordachte en nauwkeurig geregisseerde en geregistreerde besluit om te sterven voor zijn ideeën. Dat stelt althans de Roemeens-Amerikaanse filosoof Costica Bradatan in zijn boek over het gevaarlijke leven van wijsgeren.

Filosofie bedrijven is volgens Bradatan namelijk geen kwestie van doorwrochte betogen opstellen en op gezette tijden vanachter je bureau een boekje schrijven; dat is hoogstens inleidend werk. Voor Bradatan gaat de ware wijsbegeerte over levenskunst. En dus niet in de laatste plaats over waarvoor en hoe je dood wilt gaan – zingeving is een bij uitstek lichamelijke kwestie. Of zoals Michel de Montaigne in de 16e eeuw stelde: ‘Filosoferen is leren hoe je moet sterven.’ Want de dood, wist Simone Weil, is immers het kostbaarste wat de mens is gegeven. Een goed argument dus om van je dood een filosofisch meesterwerk van te maken en hem niet te verprutsen.

Er blijkt inderdaad een flinke rits filosofen te zijn, die, net als Socrates, een welsprekende dood verkozen boven conformisme of compromissen en zo hun ideeën kracht bijzetten. Zoals de heidense Hypatia van Alexandrië. Ze lag overhoop met patriarch Cyrillus en werd in 415 aan stukken gescheurd door een christelijke knokploeg. Thomas More: hij werd in 1535 onthoofd, omdat hij weigerde koning Hendrik VIII (die van Anna Boleyn) als hoofd van de kerk te erkennen. De dominicaan Giordano Bruno, die in 1600 op de brandstapel eindigde omdat hij transsubstantiatie, drie-eenheid en Maria’s maagdelijkheid baarlijke nonsens vond. En Jan Potočka († 1977), Tsjechisch fenomenoloog en medeoprichter van Charta 77, die besefte dat hij de ondervragingen van de geheime politie niet zou overleven.

Bradatan bespiegelt het verschijnsel martelaar-filosoof als de opvoering van een toneelstuk. Met uiteraard veel aandacht voor het hoofdpersonage van het verhaal: de filosoof, die als onaf schepsel eigen leven en dood wil modelleren. Vervolgens wordt de grote tegenspeler, de dood, vakkundig gefileerd aan de hand van een zelfportret van Munch, Tolstois ‘Ivan Iljitsj’ en de schaakpartij uit Bergmans film ‘Het zevende zegel’.

Ook doet Bradatan een verdienstelijke poging om ‘het zijn’ bij Heidegger begrijpelijk te maken. Maar echt spannend wordt het waar hij het stof afklopt van een essay uit 1936 van de vrijwel vergeten filosoof Paul-Louis Landsberg, over de dood als mystieke ervaring, met het stierengevecht als prachtige metafoor.

Daarnaast stelt Bradatan vast dat een succesvol martelaar-filosoof niet kan zonder podium, bloeddorstig en vervolgens schuldbewust publiek plus een vaardig biograaf-monteur. Met als toegift: René Girards theorie over de zondebok blijkt perfect op Socrates’ dood te passen. Na zo’n vlammend verhaal valt wel te vergeven dat Bradatan een persoonlijke indruk soms wel erg gemakkelijk tot algemene waarheid verheft. Is jong sterven werkelijk eenvoudiger en minder pijnlijk dan wanneer je ouder bent? En is de grens tussen passieve zelfopoffering en actieve zelfdoding inderdaad wel zo helder als Bradatan doet voorkomen?

‘Sterven voor een idee’ mag vooral over seculiere filosofen gaan, het verrassendste zijn de passages waar Bradatan over de schutting kijkt, naar de overeenkomsten en verschillen tussen mensen die om religieuze of politieke redenen hun lichaam op het spel zetten. De lijntjes zijn soms flinterdun. Van – uiteraard! – Jezus tot de hongerstakende Gandhi en de zelfverbrandingen van Jan Palach († Praag 1969) en Mohamed Bouazizi († Tunis 2011), van Japanse kamikazepiloten tot het ‘offensieve martelaarschap’ uit de islam. Grote slotvraag: zou Socrates’ onsterfelijk gewordenironische methode ook helpen om dat laatste probleem te lijf te gaan?



Een geredigeerde versie van deze recensie verscheen inlogo Trouw