Het Máxima-gevoel (2): Eén april

2009-04-02 12.25.43Het marmeren terras is overspannen met blauwe doeken en, op een ontbijtende heer na, ik ben de enige gast. Ik kijk in Egypte uit over het grote Qarunmeer bij Fayoum, waarboven meeuwen, zwaluwen, ijsvogels en mijn eerste vlinders van dit jaar (duik-)vliegen, scheren en fladderen. De zon doet het zoute water glinsteren en aan de overkant van het meer gloren de eerste heuvels van woestijn. Dit is een heerlijk rustige plek om te schrijven.

Maar plotseling wordt het terras overspoeld met kinderen, vrouwen en mannen. De kinderen zijn van alle leeftijden: scholieren, kleuters en zelfs baby’s. De vrouwen zijn vrij jong en bij de mannen zie ik geen opa’s. Wat is dit voor familie? Een schoolreisje? Maar waarom dan die baby’s?

Al gauw zijn alle terrasstoelen verschoven, nogmaals verschoven, bezet en weer verlaten. Er moet namelijk worden geklauterd en gerend. Een voetbal raakt mijn stoel en de behoofddoekte vrouw aan de tafel naast me roept het jochie tot de orde. Ze glimlacht verontschuldigend naar me. Ik glimlach terug: het geeft niet, natuurlijk geeft het niet. Zo zijn kinderen immers? Daarna zit ik in een ballon van rust. De kinderen hollen in ruime bogen om mijn tafel en vallen me in geen enkel opzicht lastig.

Ondertussen beginnen de mannen een muziekinstallatie met grote boxen op te bouwen. Ik verwacht straks te zullen gaan verkassen, als de decibellen de macht overgenomen hebben. Maar het blijkt mee te vallen en ik geniet een tijdje van de overgave en expressie waarmee een jongen bij de eerste muziek begint te dansen. De vrouwen met de baby’s op schoot klappen mee en er worden foto’s gemaakt.

Zwembad QarunNa een half uurtje besluit ik een stiller plekje op te zoeken en vindt dat onder een arcade bij het zwembad, dat droog ligt, zo voor het seizoen. Het wordt een vruchtbare schrijfdag.

Aan het eind van de middag loop ik de pier bij het terras weer op, want ik wil niet onvindbaar zijn voor m’n lift naar Fayoum. Op het terras is een Arabische karaoke gaande, hoewel de meeste kinderen het speeltuintje en de trapjes en stoepjes veel spannender vinden om op en af te springen. Maar zo’n mevrouw met geel haar op een muurtje is eveneens interessant en gauw staan er wat jochies om me heen, die van me willen weten hoe ik heet. Zijzelf heten Mustafa, Mohammed of Mahmud en daarmee is de conversatie voorlopig afgelopen. Maar we kunnen wel elkaars handen schudden en ze laten me hun schatten zien: een regenboogpotlood, een blauwe puntenslijper. Mooi hoor! Ik zie dat ze niet allemaal voor een gemakkelijk leven geboren zijn: de jongen die zo goed kan dansen, Mahmud, is een Down-kind.

Al gauw komt één van de volwassen mannen zich ermee bemoeien, met in zijn kielzog een paar meisjes. Ook hij heet Mohammed en hij wil weten of de kinderen niet lastig zijn. En hoe ik heet. En waar ik vandaan kom. En of ik in dat geval Marco van Basten ken. En of ik een schrijfster ben – niets in dit land blijft ongezien. En waarover ik schrijf. Hij vertaalt mijn antwoorden in het Arabisch, voor de kinderen.

Daarna worden mijn vragen beantwoord. Nee, een schoolreisje is dit niet. Het is het jaarlijkse uitstapje van het huis van, hoe heet dat in het Engels, van kinderen die geen ouders hebben. Aha, van het weeshuis! Nu begrijp ik het: baby’s, kleuters, schoolkinderen: het zijn allemaal wezen. En/of kinderen voor wie hun ouders om andere redenen dan de dood niet goed kunnen zorgen. Want ik zie dat Mahmud niet de enige is met een handicap.

Meneer, meester Mohammed vraagt of ik honger heb, of dorst, en nodigt me uit om mee te komen naar het terras, naar de muziek, om mee te eten. Ik bedank zo beleefd mogelijk. Vervolgens krijgt hij een beter idee. Of ik door de karaokemicrofoon iets tegen de kinderen wil zeggen. Alsjeblieft niet! Wat zou ik moeten zeggen? Bovendien: m’n Arabisch is hiervoor volstrekt ontoereikend! Dus, nee, nee, en ik sla m’n handen voor m’n gezicht; veel te eng allemaal.

Maar meester Mohammed is sluw, want hij richt zich tot de kinderen en vraagt hun, begrijp ik, wat zij ervan zouden vinden als mevrouw Marjam iets in de microfoon zou zeggen. De kinderen zijn uitbundig voor en ik besef dat er geen ontkomen aan is. Alleen: wat moet ik zeggen? Dat maakt niet uit, zolang het door de microfoon is, weet meester Mohammed. Veel tijd om na te denken krijg ik niet, want een dozijn kinderhanden trekken en duwen me het terras op, richting de man met de microfoon. Prompt valt de muziek stil.

Meester Mohammed geeft me wat respijt als hij me via de microfoon introduceert, maar daarna ben ik heus aan de beurt. Achteraf denk ik dat ik in het Arabo-Engels iets gezegd heb als: “Vrede zij met jullie, ik ben Marjam uit Nederland en ik vind jullie allemaal heel lieve kinderen. En ik wens jullie Gods zegen toe, want God houdt veel van kinderen”. Alsof ík daar verstand van heb. Maar meester Mohammed had gelijk. Het maakte niet uit. Ik krijg applaus en geef de microfoon zo snel mogelijk terug. Mag ik nu weg?

Geen sprake van: er moet gezongen worden. De man van de microfoon heft in het Arabo-Frans het Vader Jacob aan. Dat ken ik en ik geef me over en zing, veilig buiten het bereik van de microfoon, in het Nederlands mee over alle klokken die bim-bam-bom luiden. Daarna word ik in een aangerukte stoel geduwd en volgt er een chaotisch défilé van nieuwe kinderen die me komen vertellen dat ze Alleh, Yasmina en Asmaa heten, voor zover ik het kan verstaan en onthouden.

Yasmina’s ogen kunnen niet goed open en ze kijkt twee kanten tegelijk op, maar ze ziet dat ik een bril heb, die ze dolgraag wil uitproberen. Mag dat? Voor ik iets kan zeggen, heeft ze hem al opgezet. Ik vrees dat ik nu m’n bril kwijt ben, maar ze heeft er niets aan en ze geeft hem terug. Maar ze ziet goed genoeg om op te merken dat m’n hes is afgezakt en dat er een onkuis bandje zichtbaar is geworden; snel schikt ze dat voor me recht.

Daarna wil een ander meisje, met prachtig grote zwarte ogen en een heel erg groot hoofdje, mijn bril proberen. Ik ben op dat moment zover dat ik hem met liefde wil afstaan; ik zal hem, gelijk de hertogin van Alva, heus niet missen in mijn verzameling contactlenzen en (reserve)brillen. Maar helaas, hij helpt haar niet. Ze zet hem voorzichtig terug op mijn neus en klimt op m’n schoot. Ze is heel zacht.

Opeens staat de chauffeur naast me: het is tijd, ik moet weg, ik moet mee, er wordt op me gewacht. Hij heeft m’n rugzakje al in z’n handen. Ik heb nog net de tijd om meester Mohammed een hand te geven en te zwaaien naar de kinderen, die terugzwaaien. Dan ben ik afgevoerd.

In de auto hoor ik dat in Egypte één april, Foul’s Day, wordt gevierd. En dat op (of rond) deze dag de ‘wees’huizen eropuit gaan. Of dat iets met elkaar te maken heeft, weet ik niet. Maar ik voel me bevoorrecht dat ik het dit jaar zo heb mogen vieren, hoewel ik helaas geen bril lichter ben geworden.