Hoe een woekeraar toch in de hemel kon komen

Interview met Jeroen Linssen (1960), politiek filosoof en schrijver van ‘Hebzucht. Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid’ (2019)


Kaft Hebzucht“Mijn boek beschrijft hoe er in de loop van de eeuwen over hebzucht is gedacht, met name in de filosofie. Het idee ervoor ontstond tijdens de financiële crisis van 2008. In eerste instantie kregen de grote graaiers daarvan de schuld, totdat bleek dat bijna iedereen boter op zijn hoofd had, met een hoge hypotheek of spaarcentjes bij Icesave. En als je nu terugkijkt: wat hebben we met de grote graaiers gedaan? Nou, niet zoveel. Een beetje symboolpolitiek, met plafonds voor bonussen en salarissen. En zijn we alom gaan matigen? Ook niet echt. Om de economie uit het slop te trekken verschoof de focus alweer snel en zei vriend Rutte: koop een auto, koop een huis, laat het geld rollen! Dat is een merkwaardige cirkel. Eerst krijgt de hebzucht de schuld van de ellende, maar tegelijkertijd is zij ook het medicijn. Vanuit die dubbelheid ben ik de geschiedenis van de hebzucht ingedoken en daarin stuitte ik sinds de opkomst van de geldeconomie, vanaf ongeveer het jaar 1000, voortdurend op die tweeslachtigheid.

Vagevuur

In de katholieke Middeleeuwen was avaritia, de hebzucht, nog een hoofdzonde; op een gegeven moment zelfs nog kwalijker dan de hoogmoed. De Bijbel is daar glashelder over: van geld krijg je vuile handen en kerkvader Hieronymus zei het al: waar de een winst maakt, wordt de ander een oor aangenaaid. Rijkdom vergaren was sowieso niet de bedoeling van het aardse bestaan en als je je naaste rente berekende, dan bleef de hemelse poort voor jou gesloten. Maar in de 13e eeuw begon Thomas van Aquino toch enige toegeeflijkheid te betrachten. Hij zei: winst en woeker zijn natuurlijk niet netjes, maar je kunt er ook goede werken mee doen, waarvan ook de kerk en de armen profiteren. Vanuit die gedachte is trouwens het vagevuur uitgevonden: via dat achterdeurtje kon voortaan zelfs de woekeraar uiteindelijk toch in de hemel komen.

U kent misschien het verhaal van de socioloog Max Weber, dat het puriteins calvinisme de weg vrijgemaakt heeft voor het kapitalisme, omdat het zakelijk succes ging zien als een teken van boven dat je op de goede weg zat. Van Calvijn zelf mocht je ook best genieten van ondermaanse weelde, mits je er hard voor gewerkt had en het niet te gek werd. Hij was daarin echt anders dan Luther, die nog vreselijk tekeer ging tegen de Fuggers, een familie van rijke kooplieden.

Beter dan de koning

De filosoof Mandeville gaat veel verder in het idee dat er aan winstbejag ook mooie kanten zitten; de boodschap van zijn Bijenfabel uit 1705 is dat individuele ondeugden als hebzucht tot collectieve welvaart leiden. Kijk maar om je heen, zegt hij: dankzij de gemene streken van hebzuchtige kooplieden hebben de armen in Londen het nu beter dan de koning voorheen. Het trickle down-effect: als je de rijken hun gang laat gaan en ze hun geld kunnen laten rollen, dan worden we er allemaal beter van.

Daarin klinkt al het latere, optimistische verhaal van Adam Smith, dat het in het belang van iedereen is als je puur vanuit je eigen belang zoveel mogelijk geld probeert te verdienen. Natuurlijk wist Smith dat het niet netjes was om de hebzucht naar voren te schuiven als de belangrijkste drijfveer van de mens, daarom heeft hij deze ondeugd in een grote verdwijntruc weggemoffeld achter het ‘machtige principe van het eigenbelang’.

Daartegenover staat vanuit de sociale ellende van de 19e eeuw da natuurlijk Karl Marx’ beschrijving van hoe het kapitalisme de ondernemer veranderd heeft in een roofdier, een bloeddorstige weerwolf, met een ziekelijke geeuwhonger naar de meerarbeid van de loonslaaf.

Investeren in jezelf

Nu de neoliberale positie gewonnen heeft, zijn we steeds meer gaan vermarkten. Als je dertig, veertig jaar geleden in de trein zat, wist je: dit is van de overheid, dit is niet om geld aan te verdienen, dit is van ons allemaal. Dat hebben we losgelaten: de markteconomie is veranderd in een marktsamenleving. Om volwaardig mee te kunnen doen in de maatschappij moet je ondernemerscompetenties hebben: je eigen broek ophouden, voortdurend innoveren, risico’s nemen, in jezelf investeren, voor jezelf opkomen, de concurrentie aangaan. Ook het gezin is een onderneming geworden: we investeren in de studie van onze kinderen om hun marktwaarde te vergroten en als jij mij het zout geeft, geef ik jou de peper.

Onder zo’n gesternte heeft het weinig zin om moreel te kwetteren dat het maar eens afgelopen moet zijn met dat gegraai. Onze kinderen groeien op onder een regiem dat de hebzucht cultiveert: een ondernemer is een held en wie aan de onderkant bungelt, is een loser. En dan zeggen: gij zult niet hebzuchtig zijn? Dat is wat al te simpel.

Occupy-tentje

Maar het is waar, er worden ook nu nog altijd mensen geïnspireerd door de Bijbelse of socialistische verwerping van de hebzucht. Er zijn inderdaad mensen die vanuit een moreel imperatief weigeren mee te doen aan de ratrace naar succes en in een Occupy-tentje zijn gaan zitten, ook al weten ze dat je er dan uit ligt. Maar die radicale keuze is de meeste mensen niet gegeven, daarvoor zijn de belangen, ook de eigen belangen, te groot.

Mijn boek eindigt enigszins pessimistisch, ook omdat de politiek tegenwoordig weinig meer over de economie te zeggen heeft. Die beslissingen hebben we inmiddels uit handen gegeven aan ‘de vierde macht’, de financiële sector, waarop geen enkele democratische controle is. En het kan elk moment weer uit de hand lopen. De oplossing zal in elk geval niet uit de economische dynamiek zelf komen, de roep om te matigen en te consumeren duikelt nu al duizend jaar over elkaar heen. Tot een economie van het genoeg of een eerlijker herverdeling komt het niet: wereldwijd gezien is het verschil tussen arm en rijk rampzalig en het enige dat we doen, is muren bouwen, echt verschrikkelijk.

Als er de komende tijd al iets gaat kantelen, dan zal dat eerder zijn omdat Moeder Aarde in opstand komt en wraak neemt. Als we dat eens tot ons door zouden laten dringen, zou dat ons wellicht tot matiging aanzetten. Maar dat is een ander boek.”


Jeroen Linssen, Hebzucht. Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid. Vantilt, 343 blz., € 24,50



Een geredigeerde versie van dit interview verscheen op 2 maart 2019 in

logo Trouw