‘Ik heb veel boeken radicaal weggedaan’

Interview met Wil van den Bercken (1946), voormalig bijzonder hoogleraar Ruslandkunde en schrijver van ‘Dag leven, dag boeken! Over de betrekkelijkheid der dingen’. Balans, 111 blz., € 15,99

 

Kaft Bercken“Ik heb dit boek geschreven vanuit de min of meer natuurlijke menselijke neiging om aan het eind van je leven terug te kijken op de zin van wat je gedaan hebt. Het is deels autobiografisch, maar vooral bedoeld als een algemene, licht-filosofische beschouwing over de rol van het toeval in het leven.

Het toeval is in mijn leven verbazend cruciaal geweest. De ontmoeting met mijn vrouw in 1972 in het toenmalige Leningrad bijvoorbeeld was een wonderlijke opeenstapeling van toevallige gebeurtenissen die ik absoluut niet had kunnen plannen. Zeker, je moet ervoor open staan, maar de gelegenheid moet ook geboden worden.

Toeval is een ander woord voor lot. Als je zoals ik ook een religieuze levensvisie hebt, dan heb je een filosofisch probleempje. Want wat is nog de betekenis van de voorzienigheid, als alles van toeval afhankelijk is? Beslist God of het lot over je leven? Daar ben ik nog niet helemaal uit, maar ik blijf geloven in een overkoepelende voorzienigheid die uit al die toevallige factoren en tegenslag een zin destilleert.

Lot en God zijn wel verschillende entiteiten. God is, hoop je, een wezen aan wie je je kunt richten, terwijl het lot een abstracte term is waarmee je verder niets kunt doen. Nietzsche gebruikt de uitdrukking ‘amor fati’: de liefde voor het lot. Je kunt je tegen het lot verzetten, maar dat is zinloos, dus kun je het maar beter beminnen. Ook Seneca propageert een gevoelsleven waarin je zowel voorspoed als tegenslag met gelijke gemoedsstemming aanvaardt.

Als je ouder wordt, word je milder en ga je alles in zijn betrekkelijkheid zien, een houding die je iedereen toewenst. Ik noem dat ‘de pensioenparadox’, want als je jong bent, zou zo’n houding verlammen, dan moet je juist tegen de klippen op vechten. Ook ik heb me vroeger fanatiek op mijn werk geworpen en nam daardoor nooit de tijd om mijn kinderen voor te lezen.

Voor mijn kleinkinderen heb ik nu wel tijd, ik pas graag op, daar beleef ik veel plezier aan. Maar ik kan het nog steeds niet opbrengen om verhaaltjes voor te lezen over heksen die kinderen in de oven stoppen of wolven die oma’s opeten, daar zie ik de educatieve waarde niet van in.

Mijn interesse voor de kosmologie is ook een aspect van de betrekkelijkheid der dingen. Als je weet hoe nietig onze planeet in het heelal is, dan worden alle aardse territoriumdrift en dikdoenerij volstrekt onbelangrijk, daar heb je geen religieus eeuwigheidsbesef voor nodig.

Ik heb veel boeken radicaal weggedaan. Je kunt ze angstvallig bewaren en de hele huiskamer ermee volstouwen, dat staat natuurlijk ook chic en erudiet. Die emotie heb ik overwonnen. De meeste boeken zijn verouderd en ze moeten toch een keer weg. Dat mag bibliofielen barbaars voorkomen, maar ik zeg: als je eigen lichaam tot stof vergaat, dan hebben boeken evenmin een eeuwig leven.

Wat ik nooit weg zal doen, zijn mooie en originele uitgaven van de klassieke Russische schrijvers; vooral Dostojevski is me steeds dierbaarder geworden. Ook bewaar ik de Bijbel, maar alleen goede edities met de grondtekst en een Engelse vertaling daarvan erbij, want ik ken wel Grieks, maar geen Hebreeuws. Oude, vrome vertalingen heb ik weggegooid.

Bang voor de dood ben ik helemaal niet. Wel hoop ik op een hiernamaals, omdat ik geloof dat het leven zinvoller is dan die 70, 80 jaar die je op deze aardkloot mag vertoeven. Bovendien wil ik niet aanvaarden dat zoveel miljoenen mensen in de geschiedenis zinloos hebben geleden: er moet een zin zijn die dat overstijgt.

Als je nog werkt, zeg je van die voortdurend groeiende stapel boeken: die lees ik later, na mijn pensioen. Maar dat is zelfbedrog, want ook dan is de tijd te kort. Vandaar dat ik me de hemel voorstel als een fantastisch mooie barokbibliotheek met vrouwe Sapientia als bibliothecaresse en de muzen als literaire minnaressen. Het is natuurlijk een grapje, maar ik vind dat wel een troostend beeld.”



Een geredigeerde versie van dit interview verscheen op 30 september 2017 in logo Trouw