Op zoek naar de verdwenen krijgskas van de Oranjes

Interview met Lidy Nicolasen, voormalig Volkskrant-journaliste en –columniste en schrijfster van ‘De geuzendochter. De legende van Kiste Trui en de slag op de Mokerheide’ (Balans, 288 blz.)

 
Kaft Nicolasen Geuzendochter“Ik kom uit Malden, een dorpje aan de Maas, vlak onder Nijmegen. Als het echt heel warm was, gingen we als kind zwemmen in een natuurbad in Plasmolen. Onderweg kwamen we dan in Mook langs een huis, dat heette ‘Die Swaere Noodt’ en ze zeiden dat die naam uit de oorlog kwam. Pas later begreep ik dat dat niet de Tweede Wereldoorlog maar de Tachtigjarige Oorlog was. Toen als kind dacht ik al: ik ga toch eens uitzoeken wat daar gebeurd is in dat huis. Het heeft tot bijna mijn pensioen geduurd voordat ik ermee aan de slag ben gegaan en in de gaten kreeg dat het te maken had met de Slag op de Mookerheide op 14 april 1573, aan het begin van de opstand tegen de Spaanse overheersing.

De Spanjaarden hebben die slag behoorlijk goed gedocumenteerd, maar voor Nederland was de Mookerheide een beetje een voetnoot, want de Geuzen zijn daar in de pan gehakt. Ook twee broers van Willem van Oranje zijn daar gesneuveld; heel veel Geuzen zijn vermoedelijk verdronken of gestikt in het moeras daar vlakbij. En daar is denk ik dat huis naar genoemd.

Het probleem was dat er naast een Spaans verslag geen documenten waren. Het gebied hoorde in die tijd bij het hertogdom Kleef, waar een aantal jaar geleden brand in het archief is geweest. Toen bedacht ik: dan stamp ik zelf maar een dorp uit de grond. Want er moet toen een dorp zijn geweest, dat ik weet uit de beschrijving van de veldslag dat Lodewijk van Nassau op enig moment zegt: steek de huizen in brand, omdat hij een rookgordijn wilde leggen. De mensen daar hebben veel geleden van de slag, er wordt zelfs gezegd dat de dorpsbevolking Lodewijk heeft omgebracht.

Wat me hielp was dat er op de Mookerheide een legendarische figuur rondspookte: Kiste Trui. Die werd zo genoemd omdat ze haar hele leven lang op zoek was naar de legerkist met daarin de verdwenen krijgskas van de Oranjes. Wat daarvan waar is, weet ik niet, maar ze heeft de geschiedenis overleefd, zoals vrouwen altijd de geschiedenis overleven, namelijk als een soort heks. Met een rood duiveltje erbij en dat ze haar gezin in de steek had gelaten, dat soort blabla. Toen dacht ik: ik ga van die Kiste Trui een mens van vlees en bloed maken, die daar in dat huis woont. In mijn boek is ze tijdens de Slag een meisje van een jaar of tien en zij is ook de geuzendochter uit de titel, maar hoe dat zit, vertel ik nu niet, want het is ook een beetje thrillerachtig. En heeft ze die kist nou echt gevonden?

Het was heel mooi werk om dat verhaal te vertellen. Weet je, alles uit de zestiende eeuw is je vreemd. Hoe waren de scholen? Wat aten ze? Je moet er heel erg voor oppassen dat je alles in die eeuw boertig laat zijn; het was een tijd van godsdiensttwisten, de mensen waren toen heel serieus met godsdienst bezig. Wij hebben de neiging om een beetje gekscherend over godsdienst te doen en ik hoop dat ik ze niet belachelijk heb gemaakt in hun geloof. Bijvoorbeeld hoe Truis moeder Nella zich door niemand haar geloof in de heilige Maria laat afpakken: zo’n rotsvast geloof, dat kunnen we ons nu nauwelijks meer voorstellen.

Toen ik aan De geuzendochter begon, was ik nog te veel een journalist en was ik bang om buiten de feiten om te gaan, ik moest echt een knop omdraaien. In een roman wil je het mysterie de ruimte geven en kun je dingen in het vage laten. Wij weten maar weinig van onze eigen geschiedenis, maar als je er een mooi verhaal van maakt, dan beklijft het veel beter. Ik bedoel: het is toch gek dat ik daar ben opgegroeid en helemaal niks wist van de Slag op de Mookerheide?”



Een geredigeerde versie van dit interview verscheen op 15 april 2017 in
logo Trouw