Reis in de schaduw van de dood

Interview met Auke Hulst (1975), voorman van de Nederlandstalige band ‘De Meisjes’ en schrijver van ‘Motel songs’ (met cd). Ambo/Anthos, 292 blz., € 25,-

 

“Mijn boek gaat ten diepste over de dood. Het is ontstaan vanuit een reis die ik in 2016 dwars door Amerika heb ondernomen, op stel en sprong nadat mijn relatie geklapt was. Ik dacht: ik kan me nu gaan bezatten of ik kan iets gaan doen met mijn leven. En toen heb ik de dag daarna een reis naar Amerika geboekt, in m’n eentje. De gedachte was om er iets te gaan doen dat ik al heel lang graag wilde, maar nooit had aangedurfd: in mijn eentje een plaat maken in motelkamers.

En ik wilde een paar plekken bezoeken die belangrijk geweest zijn in het leven en vooral het sterven van een aantal schrijvers en muzikanten die belangrijk voor me zijn geweest: zoals het graf van F. Scott Fitzgerald, het huis waar Ernest Hemingway zelfmoord heeft gepleegd, de plek waar Jeff Buckley is verdronken, Paisley Park, het studiocomplex van Prince, die toen net was overleden. Gaandeweg kwam ik tot de conclusie dat het een reis was in de schaduw van de dood en werd me duidelijk dat dit iets te maken had met de dood van mijn vader, die heel jong is overleden.

Het is een merkwaardige kruising geworden tussen essay, songteksten, reisverhaal en autobiografie. Maar ik houd er wel van om grenzen poreus te maken. De cd en het boek zijn met elkaar verweven, die kan je niet uit elkaar trekken.

Mijn plan was om in mijn eentje, met mijn eigen beperkingen in een beperkte tijd een plaat te maken en daar heb mij aan gehouden. Ik was heel strikt voor mezelf: op het moment dat ik in het vliegtuig terug zou stappen, zou ik er niet meer aan mogen komen. Ik had ook thuis lekker kunnen gaan doorknutselen, maar je moet niet gaan valsspelen. Ik heb nog wel één woord veranderd omdat daar een taalfout in zat, dat is het enige dat ik heb gedaan.

Ik had een opnameset bij me, twee microfoons, een synthesizer, een akoestische gitaar, een basgitaar en onderweg heb ik nog een elektrische gitaar, een dulcimer en een half drumstel gekocht, toen was de auto wel vol. De cd is inderdaad een echt soloalbum geworden, er staat geen noot op die door iemand anders is gespeeld, behalve dan in één sample. In Washington hoorde ik een straatdrummer op emmers trommelen en dat heb ik opgenomen en in een nummer verwerkt.

Het mooiste nummer? Dat vind ik moeilijk. Qua tekst is het nummer over mijn vader, ‘My Final Skin’, wel mijn favoriete nummer. Maar ik heb ook altijd een zwak voor muzikantengefröbel, dingen waarmee sommige luisteraars denk ik niet zoveel kunnen, maar die vanuit muziekoogpunt wel interessant zijn, zoals in ‘Last Goodbye at Wolf River’, een lang nummer over Jeff Buckley. En een nummer dat ik graag life speel, is ‘Blue Ridge Parkway’.

Alles wat ik maak, is altijd persoonlijk, ik maak alles in eerste instantie voor mezelf. Natuurlijk vind ik het fijn als het uiteindelijk lezers en luisteraars vindt, maar daar sta ik bij het maken nooit bij stil. Als ik dat wel zou doen, dan zou ik als schrijver of muzikant verloren zijn, dan verander je van kunstenaar in een marketeer.

Voor mij is schrijven denken met mijn handen; ik kan veel beter over dingen nadenken als ik ze op papier zet. De kern van het boek is toch wel het verhaal over mijn vader. Ik had voor deze reis heel weinig nagedacht over zijn dood en de betekenis daarvan in mijn leven en nu waren de omstandigheden ernaar dat ik er niet omheen kon. Echt reizen gaat naar buiten en naar binnen. Je vergroot je begrip van de wereld, maar je vergroot ook je begrip van jezelf. Dat is met dit boek wel gebeurd is, denk ik.”



Een geredigeerde versie van dit interview verscheen op 28 oktober 2017 in logo Trouw