Recensie van Astrid Schutte, Barones tussen de armen. Spectrum, 320 blz.
Normaal gesproken zou freule Alwine de Vos van Steenwijk (1921-2012) minstens met een baron zijn getrouwd en hem het vereiste nageslacht hebben gebaard. Dan had Astrid Schutte vast nooit haar biografie geschreven. Maar Alwine en de geschiedenis bepaalden anders. Trouwen zou ze bijvoorbeeld nooit: de Duitsers fusilleerden haar verloofde en medeverzetsstrijder Jan. En in 1953 serveerde haar vader vervolgens haar tweede liefde af, omdat die gescheiden en niet van adel was.
Maar ondertussen was Alwine, als een van de eerste Nederlandse vrouwen, wel diplomaat geworden. Ze werkte in Washington, Lissabon, Bonn en Parijs en leek met haar charme, talenkennis, uitstekende manieren en werklust een glanzende carrière tegemoet te gaan. Een ander rebels keerpunt in haar leven: in 1957 werd ze tot woede van haar zeer protestantse vader katholiek.
Op haar negenendertigste ging haar roer nog verder om, toen ze in het Franse Noisy-le-Grand fulltime vrijwilliger werd bij abbé Joseph Wresinki, in een onvoorstelbaar miserabel kamp voor daklozen. Ouderwetse liefdadigheid? Nee, het ging haar en Wresinski erom de allerarmsten hun menselijke waardigheid terug te geven en de oorzaken van hun ellende structureel aan te pakken.
Daarbij kwamen de diplomatieke kwaliteiten en het internationale netwerk van barones De Vos van Steenwijk prima van pas: ze zette een onderzoeksbureau op, organiseerde internationale symposia en wist het armoedeprobleem op de politieke wereldagenda te krijgen. Zo was de VN-resolutie uit 1989 die erkende dat extreme armoede een schending van de mensenrechten is, vooral haar werk. Ook was ze de motor achter het nog altijd actieve Wresinski Theater in Zwolle, waarin arme mensen hun eigen leven spelen, zoals nu rond de kindertoeslagenaffaire.
Natuurlijk had Alwine niet altijd succes: ze kreeg premier Kok niet zover dat hij een zinnetje van haar opnam in het regeerakkoord van 1998. Ook koningin Beatrix negeerde Alwines suggesties voor de kerstboodschap van 1991, waarop Alwine jaren later een uitnodiging voor een koninklijk kopje koffie hooghartig afsloeg.
Want makkelijk was ze niet. Ze stond bekend als ‘de fluwelen bankschroef’, een tactvolle drammer die pas losliet als ze haar soevereine zin kreeg. Ook kon ze niet accepteren dat er, na Wresinki’s dood in 1988, binnen hun inmiddels wereldwijde organisatie verzet ontstond tegen haar (kansloze) obsessie om hem heilig te laten verklaren.
Voor zichzelf was Alwine overigens evenmin mals: werken-werken-werken, nauwelijks slapen en eten, vaak ziek – haar tomeloze idealisme deed me regelmatig aan Simone Weil denken. En hoewel de extreme armoede helaas nog lang de wereld niet uit is: deze eerlijke en leesbare biografie van Schutte heeft ze meer dan verdiend.