Dubbelrecensie van Arlette Kouwenhoven, ‘Brandende ijver. Siebold. De biografie’
(LM Publishers; 384 blz.) en Annejet van der Zijl, ‘De zwevende wereld. De verbonden levens van Franz von Siebold en Kusumoto Ine’ (Hollands Diep; 350 blz.)
Twee ervaren biografen stortten zich op de 19de-eeuwse botanicus Siebold, die de hortensia naar Europa bracht: Arlette Kouwenhoven en Annejet van der Zijl. Van der Zijl heeft daarbij extra veel oog voor zijn oudste, Japanse dochter.
Philipp Franz von Siebold? Wellicht weet u niet meteen wie dat was. Tenzij u bekend bent in Leiden, waar een museum naar hem is genoemd. En wie van tuinieren houdt, weet misschien dat Siebold (1796-1866) onder meer de hortensia, de blauwe regen en de hosta naar Europa heeft gebracht, plus helaas ook die vermaledijde duizendknoop. Maar verder?
Toch kent in Japan elk schoolkind zijn naam en is buiten Nederland veel over hem geschreven. Daaruit blijkt dat hij niet onderdeed voor de grote ontdekkingsreiziger van zijn tijd, Alexander von Humboldt (1769-1859) – dat vond Siebold zelf trouwens ook. Maar nog los van zijn verdiensten als natuurvorser, verzamelaar en etnograaf: zijn levensloop is absoluut een dik boek waard.
Wat zeg ik? Wel twee. Van de week verscheen Brandende ijver van Arlette Kouwenhoven. Een kwart eeuw geleden schreef ze met Matthi Forrer al het bescheiden, maar fraai geïllustreerde Siebold en Japan. Alleen was er toen nog niet veel bekend over Siebolds persoonlijke leven en eigengereide karakter. Voor dit nieuwe boek dook ze het enorme familiearchief van een nazaat van Siebold in.
Pijnlijke relatie met oudste dochter
Kouwenhoven heeft concurrentie van bestsellerauteur Annejet van der Zijl, bekend van Sonny Boy, De Amerikaanse prinses en biografieën over Annie M.G. Schmidt en prins Bernhardt. En nu ligt er De zwevende hemel. Dat vertelt niet alleen Siebolds verhaal, maar gaat ook uitgebreid in op dat van zijn oudste, Japanse dochter en hun pijnlijke relatie. Zo graaft Van der Zijl in deze dubbelbiografie een verrassend stukje koloniale vrouwengeschiedenis uit.
Even terug naar Siebold: wie was hij? Hoe kwam een telg uit een Beiers academisch artsengeslacht in 1832 in Leiden terecht? Waarom was hij na een wilde tijd als knoklustig lid van het Mainlander studentencorps niet gezapig neergestreken aan de medische faculteit van Würzburg, in de voetsporen van zijn vermaarde vader en grootvader? Niet gepromoveerd op de anatomie van de tong?
Maar nee: hij droomde van een roemrijk leven als ontdekker en onderzoeker van verre werelden, à la zijn grote idool, Alexander von Humboldt. Dus toen hij in 1821 lucht kreeg van een vacature bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger voor een chirurg op Java, greep hij zijn kans.
Brandende ambitie
Eenmaal in Batavia viel zijn brandende ambitie zo op, dat de gouverneur-generaal hem linea recta doorstuurde naar de handelspost Deshima, dat piepkleine eilandje in de haven van Nagasaki.
Siebold kon z’n geluk niet op: een goed betaalde luizenbaan van zes jaar als lijfarts van het Nederlandse hoofd van de handelspost. Met veel tijd om zoveel mogelijk exotische planten, dieren en voorwerpen te verzamelen, te classificeren en naar Nederland te laten verschepen. Om daar dan thuis onsterfelijk beroemd mee te worden. Japan hield immers sinds 1639 voor alle andere buitenlanders de grenzen potdicht.
Hij maakte in Nagasaki zelfs school met zijn geavanceerde kennis van de chirurgie, vaccinatie en verloskunde. Ook raakte hij al snel smoor op de zestienjarige courtisane Sonogi, met wie hij drie jaar later een roodharig dochtertje kreeg: Oine. En dankzij zijn respect en oprechte belangstelling voor de Japanse cultuur, kruidenleer en complexe omgangsvormen maakte hij tijdens een memorabele reis naar de shogun in Edo veel vrienden onder Japanse artsen, botanische tekenaars en cartografen.
Beschuldigd van spionage
Maar in 1828 keerde het tij. Door een nogal onnozel handeltje met landkaarten werd hij beschuldigd van spionage en het land uitgezet, waarmee hij er vergeleken met zijn Japanse medewerkers overigens nog bijzonder genadig vanaf kwam. Maar Sonogi en Oine mochten niet mee – een afscheid waar hij zich sneller overheen zette dan zij.
Dankzij een royaal voorschot van Willem I vond Siebold onderdak voor zichzelf en zijn verzameling zeldzaamheden in Leiden aan het Rapenburg. Hij werd geadeld en gelauwerd, adviseerde de koning inzake een vreedzame handelsrelatie met Japan en reisde de Europese hoven af om zijn verzameling en kennis te verzilveren. Ook trouwde hij in 1845 in Duitsland met de vijfentwintig jaar jongere Helene von Gagern, met wie hij vijf kinderen kreeg.
Maar rijk en gelukkig werd hij niet. De boekenreeksen Nippon en Flora Japonica flopten en zijn gigantische ego zat de handel in sierplanten en zaden in de weg. Ook kon hij niet aarden in de Leidse universitaire wereld. Dus besloot hij terug naar Duitsland te verkassen.
Allereerste vrouwelijke arts
Toch zou hij nog een keer vlammen, toen zijn Japanse verbanning in 1858 werd opgeheven en hij er namens de Nederlandse regering een nieuw handelsverdrag mocht overhandigen. Daar zag hij na dertig jaar Sonogi en Oine terug; zijn dochter had het inmiddels geschopt tot de allereerste vrouwelijke arts van Japan.
Maar de agressieve Amerikaanse en Britse handelspolitiek had Japan veranderd. Buitenlanders moesten er voor hun leven vrezen, ja, zelfs als je Siebold heette en vijfendertig jaar eerder overal als wonderdokter was ingehaald. Ook zat er niemand meer te wachten op zijn politieke bemoeienissen.
In 1863 werd hij andermaal Japan uitgezet en drie jaar later liet hij in München een berooide weduwe achter. Naar wie hij – schrale troost? – wel een hortensia had genoemd. Net als eerder naar Sonogi, met de hydrangea macrophylla Otaksa, nog altijd een van ’s werelds populairste tuinplanten.
Bij Kouwenhoven zit daarmee Siebolds levensverhaal erop. Ze informeert rijkelijk over zijn inderdaad niet geringe verdiensten als gedreven botanicus, verzamelaar en wetenschappelijk netwerker, hoewel dat vaak grof ten koste van anderen ging.
Kind na verkrachting
Dat laatste blijkt ook uit De zwevende hemel van Van der Zijl, die zijn verhaal vervolgt met de verdere familiegeschiedenis van vooral zijn dochter Oine. Ze werd in Japan alom bewonderd vanwege haar vader en volgde met hem als lichtend voorbeeld een opleiding tot arts en verloskundige. Haar tragedie: ze kreeg op haar vierentwintigste na een verkrachting een kind van haar leermeester, nota bene een voormalig student van haar vader.
Maar toen haar vader dertig jaar na zijn vertrek opeens weer opdook, toonde hij weinig waardering voor haar professionele prestaties. Hij had liever dat ze zijn huishouden kwam bestieren en financieren – nou, mooi niet. En toen ze ontdekte dat hij een dienstmeisje had bezwangerd, maakte ze zelfs heel oneerbiedig ruzie met hem.
Was dat, zoals Kouwenhoven oppert, omdat ze indertijd zelf verkracht was? Of was ze, zoals Van der Zijl suggereert, jaloers op haar vaders aandacht voor dat brutale wicht? Het is een van de weinige punten waarop Kouwenhoven en Van der Zijl het oneens zijn. Hoe dan ook: Oine zou uiteindelijk haar vaders familienaam laten vallen en als Kusumoto Ine nog stukken bekender worden dan haar papa, tot in musicals, videogames en mangastrips aan toe.
Messiascomplex
Natuurlijk valt er veel te psychologiseren over Siebolds kennelijke messiascomplex en de naar onze normen emotioneel gemankeerde familierelatie met zijn moeder, vrouwen en kinderen. Met name Van der Zijls hedendaagse correcties op eerdere, braaf-romantische fabels over zijn liefdesleven lezen smakelijk weg.
Want was Sonogi wel zo gediend van de omhelzingen van haar ruw-barbaarse, onwelriekende minnaar? Of deed zij alleen maar het werk waar ze als courtisane voor opgeleid was, zoals haar kleindochter later stellig verklaarde? Maar hoe betrouwbaar is die duiding, die stamt uit een geromantiseerde biografie uit 1978?
Een beetje pech heeft Kouwenhoven wel, qua timing. Haar gedegen en vlotte, maar betrekkelijk neutraal-feitelijke relaas moet het opnemen tegen de dramatische zwier en filmisch-literaire flair van Van der Zijl. De laatste heeft vooral oog voor Siebolds persoonlijke conflicten en beschikt over de gereedschapskist van een romancier. Zo noemt Van der Zijl haar hoofdpersoon consequent Franz, waar Kouwenhoven het over Siebold heeft – een veelzeggend verschil. Of is er toch ook wat te zeggen voor de minder emotionele benadering van Kouwenhoven, die lezers meer ruimte laat voor eigen interpretatie?
Laat ik maar gewoon vaststellen dat in Brandende ijver en De zwevende hemel twee ervaren en begaafde biografen elkaar aanvullen met hun verhaal over een grenzeloos eigenwijze en nietsontziende man en vader. Aan wie de wereld toch maar mooi de paradijselijkste tuinen te danken heeft.
Zelf zien?
Wilt u al dat Japanse prachtigs dat Siebold hierheen bracht zelf zien? Bezoek dan in Leiden het Japanmuseum SieboldHuis, Rapenburg 19, een deftig pand waar hij tussen 1832 en 1847 woonde en exposeerde. Of ga naar de Siebold Gedenktuin van de Leidse hortus botanicus of het Wereldmuseum aan de Steenstraat. Ook kunt u voor een kleine maar sympathieke Siebold-tentoonstelling tot eind september terecht in de oranjerie en tuinen van kasteel Middachten in De Steeg (Gelderland).

