Alleen op de wervelende wereld

Recensie van Lucien Custers, Alleen in wervelende wereld. Het leven van Johan Andreas dèr Mouw (1863-1919). Vantilt, 368 blz., € 29,95

Beetje sneu verhaal. Komt op 29 juli 1919 eindelijk je eerste dichtbundel uit, ben je net drie weken daarvoor overleden. Het overkwam Johan Andreas dèr Mouw, wiens volwassen leven toch al geen feestje was. Een misgelopen academische carrière als filosoof, verboden en onbeantwoorde liefdes, een Achterhoeks schandaal dat de landelijke pers haalde, diverse zelfmoordpogingen… Nee, die Dèr Mouw was een aparte, met dat rare, grote hoofd, dat aanstellerige streepje op zijn naam en die woeste baard. Die liever gymnasiumleerlingen (indertijd nog uitsluitend jongens) dan collega’s over de vloer had en nooit zijn vrouw eens gezellig meenam op zijn geheimzinnige uitstapjes naar Amsterdam. Die pas rond zijn vijftigste serieus en explosief aan het dichten sloeg, meest in sonnetten. Maar daarvoor, postuum, wel fanatiek bewonderd werd door grote literaire jongens als Ter Braak, Bordewijk en Komrij. Beroemd werd ook zijn regel “’k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.’ Dus toch nog een soortement van happy end?

In de negenennegentig jaar dat hij nu dood is, zijn er verschillende pogingen tot een biografie gedaan. In 1962 bijvoorbeeld promoveerde Antonia Maria Cram-Magrés op zijn denk- en dichtwerk. Victor van Vriesland (1892-1974), Dèr Mouws grote, onbeantwoorde liefde en uitgever van zijn verzamelde werken, heeft eveneens veel verteld (en verzwegen) over de man achter de dichter. Ook pleegdochter Hetty deed ooit een liefdevol boekje over hem open.

Maar zijn meeste brieven zijn per ongeluk of expres verbrand, waardoor er buiten zijn werk zelf niet bar veel bronnen bestaan die inzicht kunnen geven in zijn drijfveren en levenshouding. Het is dus een flinke prestatie dat gisteren dan eindelijk een echte Dèr Mouw-biografie verscheen: ‘Alleen in wervelende wereld’ van neerlandicus Lucien Custers.

Dèr Mouws leven begon in Zwolle en Deventer, waar zijn vader een stichtelijke leesbibliotheek annex boekhandel probeerde te drijven en zijn ondernemende moeder, zeer vooruitstrevend voor die tijd, een voortreffelijke middelbare meisjesschool op poten wist te zetten. Blijkens een later gedicht heeft hij zijn kindertijd ervaren als ‘alles warmte en zon’: hij stookte stiekem met vriendjes fikkies op de hei, beleefde in de natuur en onder de sterren al onbewust de eenheid van het al en werd thuis tot huilens toe geroerd door het pianospel van zijn moeder, aan wie hij zeer gehecht was.

Het huishouden bestond uit twee mannen (vader en zoon) en vijf vrouwen (moeder, zus Betsy, oma en twee inwonende tantes), wat Custers vreemd genoeg aanvoert als verklaring voor Johans latere gevoel overal een buitenstaander te zijn. Mij lijkt het eerder te verklaren waarom Dèr Mouw later niet zonder dienstmeid en zorgzame, verwennende echtgenote kon. Met wie hij overigens, mede naar de intellectuele ‘platonische’ mode van dat moment, voor de trouwerij zelfs schijnt te hebben afgesproken dat hun huwelijk seksloos zou blijven.

Na het gymnasium studeert de hyperintelligente Dèr Mouw in Leiden onwaarschijnlijk snel af als classicus, leert hij even tussendoor Sanskriet, schrijft hij een filosofisch proefschrift en wordt hij (hij is koud 25) leraar aan het gymnasium in Doetinchem. De leerlingen daar lopen met hem weg.

Maar bij zijn collega’s ligt hij minder goed, zeker als er geruchten komen over ‘oneervolle handelingen’ met zijn lievelingsleerling Max, de zoon van de rector. En als men elkaar dan ook nog eens begint te beschuldigen van examenfraude en de inspectie komt opdraven, is het schandaal compleet en neemt Dèr Mouw nog net op tijd zelf ontslag.

Na een diepdonkere nacht en twee zelfmoordpogingen komen hij en zijn vrouw Nans (ze was de dochter van zijn hospes in Doetinchem) terecht in Rijswijk en uiteindelijk Den Haag, waar hij als privédocent zonen van welgestelde ouders door het staatsexamen loodst. Even gloort er nog hoop op een aanstelling als hoogleraar in Utrecht, maar daarvoor worden zijn filosofische publicaties toch te mager en te gedateerd bevonden.

Bij zijn privépupillen is hij wel weer zeer geliefd. Onder hen de jonge dichter Victor van Vriesland, op wie hij obsessief verliefd wordt. Maar de liefde komt niet van twee kanten, ook al lijkt dat er wel even op rond de dood van Victors moeder en delen ze een onuitsprekelijk en nog altijd onopgehelderd geheim. Custers waagt zich heel begrijpelijk niet aan speculaties over de aard daarvan, maar we mogen gerust aannemen dat het niet om een vermiste postzegelverzameling ging.

De alweer afgewezen Dèr Mouw raakt andermaal in een ernstige crisis. Hij kan het ondragelijke gevoel van eenzaamheid, vervreemding en isolement niet meer oplossen met behulp van de stellingen van zijn favoriete filosoof von Hartmann, voor wiens kentheoretische leer Custers vele dappere pagina’s heeft uitgetrokken. Uiteindelijk vindt Dèr Mouw, mede via Schopenhauer, het antwoord in de Indiase Oepanishads-teksten en het begrip ‘Brahman’ (spreek uit als ‘brachman’), waarin de mystieke Alervaring centraal staat. En begint hij onder de exotische naam ‘Adwaita’ (Sanskriet voor ‘tweeloosheid’) een vloedgolf van met name sonnetten te produceren.

Zoals Custers het aan de hand van Dèr Mouws opstel ‘Misbruik van Mystiek’ uit 1916 vertelt, lijkt het of zijn wedergeboorte van denker tot dichter vooral een intellectueel besluit is geweest. Maar als ik zijn gedichten lees, krijg ik al gauw de indruk dat hij in het oog van zijn crisis een aantal heftige mystieke ervaringen heeft beleefd en daarvoor in het Brahmanisme de woorden vond.

Complimenten voor Custers voor de moeite die hij heeft gedaan om al die soms toch knap zweverige filosofische debatten rond Von Hartmann, Hegel, Kants ‘Ding an sich’ en solipsisme zo uitgebreid toe te lichten. Maar het is wel jammer dat hij zich nauwelijks waagt aan een even serieuze beschrijving van de mogelijk mystieke momenten in Dèr Mouws leven, waardoor hij een belangrijk dichter werd. Belangrijk genoeg althans om een verder werkelijk uitstekende en spannende biografie aan te wijden.

Een biografie als ‘Alleen in wervelende wereld’ is natuurlijk ook een mooie aanleiding om Dèr Mouws gedichten te gaan (her)lezen. En daarvoor hoeft u voorlopig niet naar het antiquariaat, nu vorige maand ‘Mijn taalorkest’ is verschenen: een royale selectie van collega-sonnettist Jan Kuijper uit Dèr Mouws Brahman-bundel. Geen idee of het Dèr Mouw-genootschap al plannen heeft om volgend jaar Adwaita’s honderdste sterfdag te herdenken. Maar dankzij Lucien Custers en Jan Kuijper zijn we er alvast helemaal klaar voor.



Een geredigeerde versie van deze recensie verscheen op 19 mei 2018 in

logo Trouw