Het grijze ritme van Colm Tóibíns ‘Nora’

Interview met de Ierse schrijver Colm Toíbín over zijn roman Nora (Amsterdam: De Geus, 2016).

Kaft Toibin NoraDe Ierse romanschrijver Colm Tóibín heeft duidelijk iets met moeders. Dat blijkt ook uit zijn veelgeprezen jongste boek Nora, dat grotendeels autobiografisch is. “Van je ouders kun je niet scheiden.”

Moederdag? Toíbín haalt zijn schouders op; het interesseert hem duidelijk geen moer. Maar dat neemt niet weg dat de band tussen moeder en zoon een belangrijk thema in zijn werk is, bijvoorbeeld in zijn verhalenbundel ‘Mothers and Sons’, zijn essaybundel ‘New Ways to Kill your Mother’ en ‘Het testament van Maria’, een novelle over de ultieme moeder-zoonrelatie uit onze cultuurgeschiedenis, die van Maria met Jezus.

Ook in Toíbíns nieuwste roman ‘Nora’ is een moeder aan het woord. Hoewel: aan het woord? Er wordt vooral veel verzwegen in deze bestseller over een weifelmoedige, maar soms onverwacht bikkelharde Ierse weduwe die rond 1970 een gezin en zichzelf gaande moet zien te houden, hoe ‘behulpzaam’ haar kleinsteedse omgeving ook probeert te zijn.

“Het begint ermee dat ze na de dood van haar man compleet gebroken is en dan langzaam verandert,” vertelt Toíbín, “terwijl ze zelf niet begrijpt wat er gebeurt en wat haar verandert.” En zo gaat Nora, aanvankelijk zeer tegen haar zin, weer aan het werk en leert ze haar stem gebruiken als een kordate vriendin zangles voor haar regelt. Uiteindelijk gaat ze zelfs, nadat ze eerst heel lomp is afgewezen, bij een koor het ‘Duitse requiem’ van Brahms zingen.

Wat fascineert u zo aan de relatie tussen moeder en zoon?

“Het is een relatie die heel lichamelijk en fysiek, bijna dierlijk begint: bloed wordt bloed, been wordt been. En daarna moet die relatie anders, menselijk worden; onderweg gebeurt er dus iets heel vreemds. En ook als je volwassen bent, is er soms nog een schaduw van die fysieke relatie. De manier waarop die twee relaties om elkaar heen cirkelen, interesseert me. Als schrijver zoek ik drama en dat heb je pas als dingen lichtelijk vreemd worden. Daarnaast is het een relatie die je niet kunt ontlopen. Je kunt niet, zoals in een huwelijk, van je ouders scheiden, vooral niet van je moeder. Die complexiteit is heel interessant om te verkennen.”

Het is bijzonder verleidelijk ‘Nora’ te lezen als een (auto)biografie: moeder Nora laat haar zoontjes Donal en Connor rond het overlijden van haar man Maurice een paar maanden aan hun lot over bij een tante – het is precies wat de toen 12-jarige Colm Toíbín en zijn jongere broertje Níall overkwam toen hun vader in 1967 stierf. En net als Donal heeft Toíbín vanaf dat moment heel lang gestotterd.

Nora ging op de bank zitten en (tante) Josie in de leunstoel ernaast.
‘Toen Donal thuiskwam, stotterde bij vreselijk.’
‘Ja, dat heeft hij hier gekregen, Nora. Dat is hier begonnen. […] Ze dachten dat jij misschien zou komen, maar dat deed je niet. Soms hoefde er maar een auto het pad op te rijden of even langs de weg te staan, of ze stopten allebei met wat ze aan het doen waren en gingen rechtop zitten. Maar de tijd verstreek. Ik weet niet wat je bezielde om ze al die tijd hier te laten en niet één keer naar ze toe te komen.’
‘Maurice was stervende. […] Ik had geen keus.’ […]
Ze zwegen allebei even. Een paar keer begon Nora aan een zin, maar zweeg dan weer.
‘Ik zorgde voor Maurice’, zei ze uiteindelijk. (Uit: ‘Nora’)

De moeder krijgt dus te horen dat het aan haar lag dat haar zoontje is gaan stotteren.

“Maar wat kon ze doen? Het probleem in die tijd was dat niemand iets over kinderen wist. Het waren de late jaren ’60, mensen beseften pas later hoe kinderen konden lijden. We zaten in een vreemde tijd, in een tussentijd. Daarvoor leefden de mensen in grotere familieverbanden samen en was de dood dichterbij, leek de dood misschien veel natuurlijker en mensen waren heel religieus. Maar in een klein kerngezin wordt de dood een ramp; niemand wist wat je moest doen als er iemand dood ging. Er was geen psychotherapie of hulpverlening, dat concept bestond toen nog niet.”

Uw moeder Bríd is in 2000 overleden. Hebt u er ooit met haar over kunnen praten?

Hij schudt zijn hoofd. “Het is heel moeilijk in een situatie waar een vader sterft en niemand echt weet hoeveel je erover moet te praten. Als je er de hele tijd over praat, wordt het goedkoop en daarbij: mensen willen er niet de hele tijd over horen, ze vinden dat je verder moet gaan met je leven. Ze kon er niet de hele tijd over beginnen en opeens kon ze er helemaal niet meer over beginnen.”

‘Nora’ is opgedragen aan uw moeder. Is dit uw eerbetoon aan haar?

“Ik weet niet zeker of eerbetoon het juiste woord is, al ligt het verhaal soms erg dicht bij wat er is gebeurd. Het punt is dat ik me dingen voorstel, het boek is niet autobiografisch, ik ben Donal niet, Nora is niet mijn moeder. Ik verbeeld een personage. Soms verbeeld ik iets wat ik heb gezien, maar soms is het verzonnen, het is niet compleet gebaseerd op feiten, nee.”

U gaat me toch niet vertellen dat uw moeder niet zoals Nora ontdekte dat ze heel goed kon zingen.

“Er was bij ons thuis veel muziek, maar alles over dat zingen en Nora’s stem is verzonnen. Ik dacht daar aan een Amerikaanse zangeres, Lorraine Hunt Lieberson. Die begon als een goede sopraan, maar een decennium bleek ze opeens een uitzonderlijke mezzosopraan te zijn, echt buitengewoon. En toen stierf ze; ze was 52. Haar stem ontroert me echt, ze was een van de grootste zangeressen van de wereld.”

“En iets grappigs: we hadden drie buren. Wij woonden op nummer 9 en op nummer 10, 11 en 12 woonden drie huisvrouwen. Die gingen geregeld uit in lange avondjurken met onder hun arm muziek, want ze zaten in een koor; ik heb ze Brahms’ ‘Duitse requiem’ zien zingen. Dat zat in mijn hoofd toen ik ‘Nora’ schreef, die buitengewone afstand tussen het huishouden doen en dan die muziek zingen, dat tilt mensen compleet op uit hun gewone leven.

Dat had iets religieus kunnen zijn; ik had Nora een groot gevoel voor de andere wereld kunnen geven, maar dat is veel moeilijker, omdat je dan te maken krijgt met gebed en innerlijk leven en ik betwijfelde of ik dat kon. Met dat zingen kon ik wel iets. Maar ik moest er geen triomf van maken: Nora moest geen Susan Boyle worden, die beroemde Schotse huisvrouw uit ‘Britain’s Got Talent’. Dat zou te gemakkelijk zijn. Nora’s eerste auditie moest dus een ramp zijn.”

Naast muziek is er ook veel stilte in het boek.

“De lezer weet veel meer over Nora dan zij over zichzelf. Ze praat niet over wat ze voelt. Het hart van het boek is de stilte. Ik denk dat de roman een bijzonder goede vorm hiervoor is, meer dan bijvoorbeeld toneel of film. De lezer weet steeds wat er werkelijk in iemands geest gebeurt, ook als er niet wordt gepraat. Je ziet wat iemand denkt, je ziet wat iemand zegt en je ziet wat de afstand daartussen is.”

Dat irriteert soms flink. Dat je denkt: mens, zeg toch eens wat je denkt, wat je wilt!

“O ja, omdat je denkt aan wat Nora zou moeten doen. De relatie die de lezer met haar heeft, ligt dichtbij de relatie die de andere vrouwen in het boek met haar hebben: ze geven haar allemaal advies. Maar ook dat is een deel van het drama: ze niet doet wat ze zou moeten doen. Soms weet ze het wel, soms weet ze het niet.

Een roman over een ondubbelzinnig mens is niet interessant: met een moeder die alleen maar moederlijk is, heb je geen roman. Nora is een moeder en soms ook niet, soms denkt ze niet als een moeder. Bijvoorbeeld als aan het eind van het boek de gedachte bij haar opkomt dat haar zoon Donal misschien wel meer notitie neemt van haar dan zij van hem. Dat is een kolossale gedachte voor een moeder. Dat is het drama van het boek.”

‘Nora’ wordt wel vergeleken met John Wiliams’ ‘Stoner’.

“Ik denk dat dat door de stijl komt en het enkelvoudige bewustzijn. En omdat er niet echt iets gebeurt in het boek. Het speelt in de provincie, Nora wint de loterij niet en ze beleeft geen grote romance. Als het beeldende kunst was, dan zou het een tekening zijn; als het muziek was, dan zou het kamermuziek zijn. Er zit geen luide kleur of hard geluid in. Het boek heeft een erg grijs ritme. Ik wilde dat ritme gebruiken om de lezer naar binnen te trekken, de aandacht vast te houden met detail en schaduw. Heel kleine dingen.”

De taal die u in Nora gebruikt is inderdaad bedrieglijke eenvoudig.

“Klopt. Het lijkt simpel, maar technisch was het een probleem. Je probeert zoveel mogelijk emotie in de zinnen te stoppen, terwijl de zinnen zelf geen emotie tonen. Ze bevatten emotie, maar ze verstoppen die bijna.”

Wat was de moeilijkste scène?

“O, de scène waarin Maurice, Nora’s overleden man, aan haar verschijnt, die was echt moeilijk. Dat is een breekpunt in het boek. Ik moest de lezer laten geloven dat het gebeurde. En dat betekende dat ik zelf min of meer moest geloven dat het gebeurde, dat was moeilijk. Maar dat een dode terug kan komen, daar zal iedereen die rouwt je over kunnen vertellen, dat is een droom die mensen kunnen hebben.”

Bent u tevreden over het boek?

“Nee! Je bent nooit tevreden met een boek, je doet alleen maar je best. Ik had vaak ’s nachts een heel goed idee, maar dat bleek dan ’s ochtends keer op keer een heel slecht idee te zijn. Veel dingen die gebeurd zijn, staan niet in het boek omdat ze niet door die ochtendtest zijn gekomen. Vooral met die verschijningsscène van Maurice heb ik voortdurend geworsteld. Was het een goed idee, was het een slecht idee? Pas op het eind heb ik besloten dat het boek iets erg scherps nodig had: als die scène er niet in zou zitten, zou het boek erg plat worden.

Nu heb ik een huis in Ierland, heel afgelegen en onvindbaar, en daar ben ik heengegaan om dat stuk te schrijven. Ik ben die zaterdag vroeg opgestaan met het idee: ik ga dit vandaag schrijven. Dat was zo emotioneel en moeilijk, dat ik wist dat ik het nooit zou kunnen herschrijven: als het de eerste keer niet goed kwam, dan kwam het nooit goed. Ik schrijf vaak hele stukken opnieuw, maar dit moest in één enkele keer opgeschreven worden. Ik moest het dus schrijven alsof alles daadwerkelijk zo gebeurde en gezegd werd. Dat vergde enorm veel concentratie. Maar het bleek te werken en toen was ik er tevreden mee.”

Wat zou uw moeder van ‘Nora’ gevonden hebben?

“Ik weet het niet. Maar mijn moeder las heel veel. Ze zal de stijl interessant hebben gevonden.”

En wat bent u nu aan het schrijven?

“Ik probeer een roman te schrijven die in het oude Griekenland speelt, daarvoor gebruik ik één van de Griekse verhalen.”

Mag ik vragen welk?

“Nee.”

Zit er een moeder in?

“Ja.”


Wie is Colm Toíbín?

Colm Toíbín werd in 1955 geboren in Enniscorthy, een stadje in de Ierse provincie Wexford. Zijn vader overleed toen Colm twaalf jaar was en de laatste twee jaren van zijn middelbare schooltijd bracht hij, net als Donal uit zijn nieuwste roman ‘Nora’, door op de Sint-Peterskostschool in Wexford. Na een studie in Dublin vertrok hij, aangestoken door het werk van Ernest Hemingway, voor drie jaar naar Barcelona; terug in Ierland werd hij een veelzijdig journalist, schrijver en criticus.

Hij schreef een roman over het leven van Henry James (‘The Master’; 2004), korte (reis)verhalen en essays , zoals de bundel ‘Love in a Dark Time: Gay Lives from Wilde to Almodóvar’ (2002). Ook redigeerde hij in 1999 ‘The Penguin Book of Irish Fiction’. Zijn roman ‘Brooklyn’ (2009), over een Ierse migrante in New York, werd verfilmd. Toíbín werd al verschillende keren genomineerd voor de Man Booker Prize. Met zijn laatste roman, ‘Nora Webster’, won hij de Britse Hawthornden-prijs. Toíbín was gastdocent aan een aantal vooral Amerikaanse universiteiten; op het moment doceert hij aan de universiteit van Columbia in New York.



Een geredigeerde versie van dit interview verscheen op 7 mei 2016 in

logo Trouw