Portret van een goed vaderlands huwelijk

Recensie van Elly Kamp, Ferdinand en Johanna. Dubbelbiografie van schrijver F. Bordewijk en componiste J. Bordewijk-Roepman. Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 480 pag., € 34,99

kamp-elly-ferdinand-en-johannaDubbelbiografie

De vrouw (of man) van een beroemde partner moest tot voor kort bijna altijd genoegen nemen met een bijrol in diens biografie. Maar de laatste tijd verschijnen er opeens opmerkelijk veel dubbelbiografieën, zoals van Thera Coppens over de Nederlandse pianiste Suzanne Leenhoff die in 1863 met Manet trouwde, van Hanspeter Nuesch over het evangelistenpaar Ruth en Billy Graham, of van Twan Huys over de Clintons.

‘De vrouw achter de man’, die dienstbare echtgenote die immer paraat staat met thee en koekjes, begint plaats te maken voor ‘de vrouw naast de man’, in een team van gelijkwaardige en verwante geesten die elk vanuit hun eigen ambities veel invloed hebben op ook elkaars werk. Wie dus, zoals Elly Kamp, graag het literaire werk en leven van advocaat-schrijver Ferdinand Bordewijk (1884-1965) wil doorgronden, zou zich daarom ook serieus moeten verdiepen in Johanna Roepman (1892-1971), componiste en de vrouw met wie hij op 1 augustus 1914 een intens en hecht huwelijk aanging.

In dit geval zijn er nog meer redenen om Roepmans verhaal erbij te halen. Echtgenoot Ferdinand, de schrijver van onder andere Blokken, Bint en Karakter, is altijd bijzonder zuinig geweest met informatie over zijn privéleven. Interviews gaf hij zelden en biografische gegevens deden er niet toe, vond hij; zelfs een goede biografie van de door hem zeer bewonderde Zola zou hij nooit lezen, beweerde hij.

Familiearchief

Ook zoon Robert en dochter Nick lieten na zijn dood weinig los. Bordewijks eerste biograaf, Reinold Vugs, had er daardoor begin jaren negentig een flinke kluif aan om zijn levensloop te reconstrueren uit zijn verzamelde werk. En toen schoondochter Gunilla in 2005 Elly Kamp toegang gaf tot de brieven, foto’s, en memoires uit het familiearchief, stelde ze wel de voorwaarde dat Johanna nu eindelijk de aandacht zou krijgen die haar toekwam.

En het moet gezegd: Johanna is misschien (nog) niet zo beroemd als Ferdinand, haar leven is zeker een halve dubbelbiografie waard. Ze verschilden nogal van karakter: hij geremd, afstandelijk en argwanend, zij aardig, charmant en spontaan. Maar ze hadden als kunstenaars ook veel gemeen. Beiden moesten lang wachten op erkenning.

Debussy

Ferdinand werd vanwege zijn Fantastische vertellingen lang weggezet als Poe-epigoon; pas met Blokken (1931) brak hij door. En autodidacte Johanna kreeg jarenlang te horen dat ze Debussy na-aapte; pas nadat ze in 1937 bij de Rotterdamse dirigent Eduard Flipse compositielessen had genomen, kwam het succes met een pianoconcert en een compositie voor orkest en zang, Les Illuminations, op gedichten van Rimbaud. Redelijk bekend geworden is daarnaast haar Sonate 1943 (voor piano, ze ontving er in 1946 de regeringsprijs voor); ook componeerde ze voor koren en carillon. En over partnerschap gesproken: samen schreven ze een opera (Rotonde) en het symfonische gedicht Plato’s dood.

Er werd kortom hard en nauw samengewerkt in huize Bordewijk; zij las alles van hem voordat het naar de drukker ging en hij viste de fouten uit haar partituren. Ook blijken zijn romans te wemelen van de toespelingen op hun bijna symbiotische relatie. Voor hun twee kinderen hadden ze minder aandacht, en de auteur van Bint wilde zijn lastige puberdochter nog wel eens met de badborstel een Spartaans pak op de billen geven als ze te laat thuis was gekomen – de herinneringen aan het Bordewijkse gezinsleven uit de jaren dertig waren niet voor iedereen even idyllisch.

Ja, en toen kwamen oorlog en bezetting. Bij het bombardement op het Bezuidenhout in 1945 (vergissing van de geallieerden) raakte al Johanna’s onuitgegeven werk verloren; Ferdinand wist slechts zijn huissleutel en fiets te redden. Ingrijpend was verder hun weigering in 1942 om lid te worden van de Kultuurkamer, waardoor Johanna’s werk niet meer mocht worden uitgevoerd – een belangrijk hoofdstuk uit Kamps boek gaat over kunstenaarsverzet, collaboratie en alles wat daartussen lag.

Rechte ruggen en enge homo’s

Na de oorlog werden Johanna en Ferdinand voor hun rechte rug beloond met een theevisite bij koningin Wilhelmina, een lintje en een aanstelling in de Ereraad voor de muziek respectievelijk de letterkunde. Daarin werd de vaderlandse cultuur wel erg voortvarend gezuiverd van collaborateurs, slappelingen en meelopers, waaronder Johanna’s voormalige compositiedocent, Eduard Flipse. De vonnissen raakten al gauw omstreden en leverden de rechtlijnige Johanna naar haar gevoel zoveel vijanden en tegenwerking in de muziekwereld op, dat ze na 1956 nauwelijks meer zou componeren en steeds verder zou wegglijden in achterdocht, wanen en homofobie. In de woongemeenschap waar ze in de jaren vijftig deel van werden, ontdekten de Bordewijks tot hun afschuw ‘enge’ homo’s. Ze spanden zelfs een rechtszaak aan om die weg te krijgen.

Kil, maar ook zorgzaam

Kamp vlecht vaardig twee levens samen. De passages over Ferdinand zijn een goede samenvatting van, dan wel mooie aanvulling op Reinhold Vugs’ toch al behoorlijk complete biografie uit 1995, die natuurlijk nog geen gebruik kon maken van archiefmateriaal dat pas later opdook, zoals de memoires van Ferdinands jongere broer Johann en zijn volledige correspondentie met Willem Frederik Hermans. Spectaculair nieuwe inzichten levert dat niet op, hoogstens dat die naar buiten toe zo stijve, kille en botte Ferdinand extreem zorgzaam en toegeeflijk kon zijn voor zijn overgevoelige vrouw.

Een nog altijd ongemakkelijk punt blijft het antisemitisme en de stereotiepe Jood bij Bordewijk, ook in zijn naoorlogse werk. Net als Vugs komt Kamp hier niet echt uit. Eeuwig actueel daarnaast is de pedagogische kwestie: als u zich zorgen maakt over het tekort aan mannelijk onderwijs, dan zult u veel plezier beleven aan Kamps uitgebreide bespreking van het debat dat Bint indertijd deed losbarsten onder de voor- en tegenstanders van ‘pedagoochelaars’ Ligthart en Montessori. En ga daarna in de komende maanden eens met uw kinderen of schoolklas kijken welke draai theatermaker Ger Thijs nu aan de klassieker Bint geeft.

Een geslaagde biografie doet verlangen naar het originele werk. Dat is hier helaas maar half het geval. Ik hol niet naar boekenkast of bibliotheek om Bordewijk te gaan herlezen, nu ik weet welke broer of buurman model gestaan heeft voor welk personage. Het zal zijn verhalen echt niet beter of interessanter maken. Maar Elly Kamp heeft me wel knap nieuwsgierig gemaakt naar Johanna Bordewijk-Roepmans muziek-cd, die het zeer actieve Bordewijk Genootschap voor dit najaar heeft aangekondigd.



Een geredigeerde versie van deze recensie verscheen op 24 september 2016 inlogo Trouw