De mens is een roofdier

Interview met Pauline de Bok, schrijfster van ‘Buit. Een jachtjaar’ (2016).

 

kaft De Bok BuitFilosofe Pauline de Bok legt wel eens een bambi om. “Dat is beter voor het natuurlijk evenwicht”, zegt ze.

In 2014 schreef Pauline de Bok een roman over een oude jaagster, een vrouw die tijdens de Koude Oorlog een eigen jachtgebied had gehad aan het IJzeren Gordijn. Onlangs verscheen haar tweede boek over een vrouw die op jacht gaat: ‘Buit. Een jachtjaar’. Dit keer is De Bok zelf de hoofdpersoon van het verhaal, waarin ze vertelt hoe ze haar jachtdiploma haalde, over hoe het is om een beest te schieten en waarom je daar echt niet per definitie een slechter mens van wordt.

Op ‘De jaagster’ kreeg u twee jaar geleden nogal wat kritiek te verduren van dierenactivisten en ook uw nieuwe boek gaat over de plezierjacht. Hoe denkt u dat ‘Buit’ gaat vallen?

“Het valt me op dat ik tot nu toe vooral reacties krijg van mensen die gefascineerd zijn door jagen. Dat heeft denk ik heel sterk te maken met een ontwikkeling in hoe er over eten wordt gedacht: mensen willen duurzaam en eerlijk voedsel en komen erachter dat wild dat is. Niet voor niets schieten wildrestaurant als paddenstoelen uit de grond.”

Ooit weigerde u nog op de kermis een luchtbuks aan te raken en nu bent u gediplomeerd jaagster. Hoe groot was die stap?

“Helemaal niet zo groot. Ik kom uit een heel klein dorpje in Twente, waar mijn vader dierenarts was. We waren altijd tussen de beesten en als er een zeug moest biggen of biggen gecastreerd moesten worden, dan nam mijn vader een van ons mee om hem de instrumenten aan te geven. Dat moest, maar het was ook leuk.

Toen ik ging studeren, ben ik in de stad terechtgekomen en vergat ik het platteland een beetje. Ik studeerde sociaal-politieke filosofie in Nijmegen, vooral neomarxisme, en vandaaruit reisde ik in mijn eentje naar Oost-Europa, om het reëel bestaande socialisme te leren kennen. Ik kwam vaak in de DDR, omdat mijn vrienden daar niet hierheen konden komen. Die vrienden hadden op het platteland een landgoed, dat was ongelooflijk mooi en dat leven deed me zo aan vroeger denken.

Na de Wende maakten mijn vriend en ik in het oosten van Duitsland een oude koeienstal bewoonbaar en daar kreeg ik steeds meer oog voor wild. Dat is daar heel dichtbij. Dieren wonen daar meer dan ik, zelfs tot in ons huis: marters, vleermuizen, muizen, wasberen, er zit zoveel; ik ben steeds meer met die beesten gaan leven.

En toen ik ‘De jaagster’ schreef, wilde ik ook weten hoe het is om te jagen; ik wilde er zelf mijn tanden inzetten. Dus besloot ik mijn jachtdiploma te halen. Dat wordt in Duitsland das grüne Abitur genoemd, het groene vwo-examen, echt een zwaar examen.” Ze lacht: “Ze keken daar zelfs vies als ik lippenstift op had, terwijl dat voor het wild niet uitmaakt, dat ziet geen rood.”

Zelf doen! Dat is een rode draad in ‘Buit’.

“Ja, dat is altijd al zo geweest. Toch wist ik heel lang niet of ik het kon, zelf een dier doden. Maar als je zo’n opleiding doet, is het op een gegeven moment geen vraag meer, dan wordt het iets natuurlijks.”

Bovendien gebruikte De Bok al die uren dat ze buiten in haar kansel naar wild uitkeek, om na te denken over de relatie tussen dier en mens: “Daar ben ik al heel lang mee in de weer, omdat ik me kapot erger aan dat sentimentele gedoe over dieren. De omgang tussen mens en dier is overigens per definitie moeizaam. Bijna iedereen zegt: ‘Ik wil dieren geen pijn doen,’ maar toch doen we het, vaak zonder het te weten.” In haar boek formuleert De Bok het zo: “Je rijdt over een egel, je krijgt een pad in je maaimachine of je trapt, krak, op een huisjesslak en als je lef hebt, geef je hem nog een trap na, zodat hij zeker dood is.”

We zijn dus te sentimenteel?

“Ik denk dat er een groot verschil is tussen sentimentaliteit en hart of respect voor iets hebben. Mensen denken vaak dat we niet meer tot de natuur behoren, dat wij buiten, boven de natuur staan. Maar ik beschouw een mens toch vooral als een zoogdier, als een toppredator, een roofdier bovenin de voedselpiramide. Net als onze grote rivaal, de wolf.”

Als u een beest geschoten heeft, haalt u zo snel mogelijk alle bederfelijke organen uit uw buit, ‘ontweiden’ noemen jagers dat. Dat lijkt me een smerig karweitje.

“Dat vind ik echt geweldig! Ik kom daarmee dicht bij mijn vader. Als hij wilde weten waaraan een dier gestorven was, keek hij ook naar de ingewanden. Het is dus niet vreemd dat ik ben gaan jagen; die boog spant terug naar mijn jeugd. Ook slachten is mooi werk. Je hoeft helemaal geen geweld te gebruiken, je hoeft alleen maar te volgen hoe dat lijf in elkaar zit. Dichter bij mijn eigen binnenkant kan ik niet komen.

Maar ik vind niet dat je dat allemaal zelf moet kunnen om vlees te mogen eten. Je hoeft toch ook niet zelf in iemand te kunnen snijden als je iemands leven wilt laten redden door een chirurg? Het is gewoon een vorm van arbeidsdeling. Ik vind alleen dat je de mensen die wel jagen, niet moet veroordelen. Toch merk ik dat mensen, ook vrienden van me, dat soms moeilijk vinden, die denken: daarvoor moet je keihard zijn. En dan een vrouw, dat vinden ze nog erger. Een vrouw moet wezens baren, geen wezens doden. Maar vrouwen hebben altijd al dieren gedood, kleinvee, kippen.

Ik eet nu trouwens minder vlees dan voordat ik jager werd: alleen eigen wild en biologisch vlees. Vlees heb ik altijd lekker gevonden, al at ik al jaren en jaren geen kiloknallersvlees meer, vanwege de bio-industrie en de duurzaamheid. Voor wild geldt dat niet. Mijn ijkpunt is het ecologische evenwicht. Voor ik een dier schiet, denk ik: zijn er genoeg van? Dan is het niet erg is als je er eentje uitschiet. En daarnaast houd ik me aan de regels van de weidelijkheid.”

Weidelijkheid? Wat is dat?

“Er zijn natuurlijk veel wettelijke regels; je mag bijvoorbeeld geen moederdieren schieten, dieren die afhankelijk kroost hebben. Daarnaast heb je onder jagers allerlei ongeschreven ‘weidelijke’ regels. Zo moet je het dier een kans geven: je mag het niet zo in het nauw drijven, dat het niet meer kan ontsnappen. Zo’n regel getuigt ervan dat je niet zomaar recht op dat beest hebt, omdat je wapen je macht en zoveel meer kansen geeft. En bij de drukjachten bij ons in de buurt staat er een boete van 500 euro – te storten in de kerkkas – op het schieten van de oudste, grootste zeug van een rotte wilde zwijnen. Zij is namelijk onmisbaar voor de sociale structuur van de groep.”

Dat klinkt heel edel, maar u besluit wel een levend wezen dood te schieten. Kunnen we niet beter gewoon de natuur haar gang laten gaan en ons er maar eens een tijd niet mee bemoeien?

“Dat wordt echt een drama, zeker sinds we die andere natuurlijke vijand van het wild, de wolf, in bijna heel West-Europa hebben uitgeroeid! Het hele ecologisch evenwicht gaat eraan als jagers niet ingrijpen. In Amsterdam bijvoorbeeld mag je nog niet naar konijnen wíjzen, dus worden het er veel te veel. En dan komen er ook heel veel vossen, want die eten konijnen, en ook tegen vossen mogen we niks doen. Maar om Amsterdam heen klagen ze steen en been over dat er te veel vossen zijn, die de weidevogels en hazen bedreigen. In Duitsland worden de everzwijnen ondanks alle drukjachten een steeds groter probleem: ze lopen al door Berlijn.”

Los van alle rationele, ecologische argumenten voor de jacht: wat vindt u er nou zo mooi aan?

“Dat zijn veel dingen bij elkaar. Het is heel meditatief om zo lang in zo’n kansel te zitten, onder allerlei weersomstandigheden. Als het druk en rommelig is in mijn hoofd en er van alles moet, ga ik jagen en denk ik nergens meer aan; dan zit ik uren alleen maar te kijken. Schieten is ook een ding: het meest intense moment van de jacht is dat hyperkorte beslismoment van opperste concentratie, die blikvernauwing die alle energie naar je doelwit stuurt. Dan is er voor niets anders plaats, dan ben ik buiten mezelf. En toen ik mijn eerste beest goed geraakt had, begon mijn hele lijf te gloeien van opluchting en geluk. Een paar keer per jaar zo’n drukjacht is ook echt een gebeurtenis, net als een eendenjacht. Maar het mooiste vind ik toch dat je je een onderdeel van de natuur voelt, dat je erbij hoort. Dat heb ik daar veel sterker dan in de stad.”

En wat vindt u het meest weerzinwekkende?

“Het meest weerzinwekkende vind ik de jacht op dieren die met uitroeiing bedreigd worden en hoeveel geld daarin omgaat. Wat me ook tegen de borst stuit, is de trofeeënjacht in de bronsttijd. Het is dan gemakkelijker om zo’n groot beest te schieten, maar je kunt wel al het vlees weggooien, omdat dat tijdens de bronst vreselijk stinkt. Ik vind: als je een beest schiet, benut het dan zoveel mogelijk, gooi het niet als oud vuil weg. Ik ben zelf doende om er steeds meer van te gebruiken, maar dat is heel veel werk en je moet het ook eerst leren. Goed een vos villen, dat lukt niet in één keer.“

Toch wordt ook u soms vertederd door een mooie witte hinde of zo’n bambi.

“Ja, want ik ben voor een deel ook een stedeling. Bovendien weet ik dat alles dat heel jong of heel oud is, kwetsbaar is; ik heb ook een beschermingsdrang, soms zelfs heel sterk. Maar ik neem daar geen genoegen mee. Want het is een beetje onrechtvaardig: zo’n schattig klein reetje wil je niet schieten, maar is dat dan een beter wezen dan een rat? Rattenbestrijding vindt niemand erg. Waarom is een reetje meer bescherming waard? Ik zie dagelijks hoeveel reeën er rondlopen. Het is nog tot daaraan toe dat ze van alles op ons terrein opvreten, maar als er te veel zijn, dat wordt dat schadelijk voor de bossen; weer een kwestie van evenwicht. En als je er soms eentje tussenuit schiet, dan is het ecologisch het beste dat je de jongen schiet. Dan doe ik wat predatoren als de wolf doen, die nemen ook de jongste en de oudste, daar is de natuur op ingesteld.”


Pauline de BokWie is Pauline de Bok?

Pauline de Bok (1956) studeerde in de jaren ’70 theologie en filosofie en werd journaliste. In 1999 verscheen haar boek ‘Doodsberichten’, over het sterven van vijf mensen die ze als vrijwilliger bij de terminale thuiszorg had leren kennen. Zo’n tien jaar geleden rondde ze een studie Duits en vertaalwetenschap af. Ze woont afwisselend in Amsterdam en op het Oost-Duitse platteland, waar haar boeken ‘Blankow of het verlangen naar Heimat’ en ‘De jaagster’ spelen. In 2012 haalde ze haar Duitse jachtdiploma en sindsdien is ze daar regelmatig als jager op pad. In het pas verschenen ‘Buit, een jachtjaar’ vertelt ze over hoe ze jaagt, over haar prooien en missers en reflecteert ze op de relatie tussen mens en dier en hun plaats in de natuur.

Pauline de Bok, Buit. Een jachtjaar. Ambo/Anthos, 256 pag., € 19,99.



Een geredigeerde versie van dit interview verscheen op 29 oktober 2016 in logo Trouw