Als je zelf aan de beurt bent om te sterven

Recensie van Christiane Berkvens-Stevelinck, En nu ben ik aan de beurt. Spiritualiteit van het sterven. Kok, 64 blz., € 9,99

*****

Kaft BerkvensDe schrijver

De streng katholiek opgevoede Christiane Berkvens (1946-2017) studeerde geschiedenis en was bijzonder hoogleraar Europese cultuur in Nijmegen. Daarnaast was ze remonstrant predikant in Delft, Breda en Rotterdam. Berkvens had veel aandacht voor haar pastorale werk, wat haar de bijnaam ‘moeder-overste’ opleverde.

Als dertiger werd ze zo goed als blind. Ze verloor twee echtgenoten aan kanker, een ziekte die haarzelf ook twee keer trof. In 2017 bleek ze opnieuw tumoren te hebben; genezing was nu niet meer mogelijk. Ze overleed op 23 november 2017; Dana Ploeger wijdde begin januari in Trouw een mooi naschrift aan haar leven. Twee eerdere boeken van Berkvens: ‘Wat ik nog zeggen wilde. Omgaan met mensen met kanker‘ (2008) en ‘Een witte stok met gps. Spiritualiteit van de beperking’(2013).

De thematiek

Als Berkvens in de zomer van 2017 te horen krijgt ‘dat het weer zover is’, suggereert een collega-predikant om erover te gaan schrijven, omdat dat ook lotgenoten zou kunnen helpen. Na enig tegensputteren begint ze inderdaad aan een dagboek, als ze op 24 augustus 2017 zit te wachten op de scan waaruit zal blijken of de kanker is uitgezaaid. Haar notities eindigen op 20 november 2017, drie dagen voor haar dood; de laatste pagina’s van het boekje ‘En nu ben ik aan de beurt’ schreef haar zoon Jan.

Als tweevoudig weduwe en pastoraal werker hoefde natuurlijk niemand Berkvens nog iets te vertellen over sterven en afscheid. Maar hoe is het als het om jezelf gaat? Kun je onderweg naar de dood inderdaad ‘in het nu’ leven, zoals je anderen altijd op het hart hebt gedrukt?

Berkvens vertelt over verdriet, pijn en paniek. Over haar aanvankelijke schaamte als ze door de prednison opeens de tekst van Onzevader en Weesgegroetje kwijt is, ook al weet ze dat God dat niet erg zal vinden. Over de afspraken die ze met haar huisarts over euthanasie maakt.

Maar ze schrijft ook over de slappe lach, over de zegeningen van Netflix en social media en over het hoe gezellig het in het ziekenhuis kan zijn. Over haar volmaakte geluk als ze met haar kleindochter van vier in de dierentuin is, over hoe beduusd ze is als ze na haar afscheidsdienst een koninklijk lintje krijgt en over de intense gesprekken met haar kinderen. En over hoe ze op het laatst een voortdurend en vanzelfsprekend contact met God heeft en de onmetelijke rust die dat haar geeft.

Opvallendste inzicht

Rode draad in haar dagboek is de zin: ‘Ik zit er niet mee.’ Stoerheid? Het gevolg van twee eerdere bijnadoodervaringen, waardoor ze niet meer bang is voor de dood en er zelfs naar verlangt? Toch ontdekt ze gaandeweg dat ze daar niet mee weg komt: zijzelf mag er dan misschien niet mee zitten, de mensen om haar heen zitten er wel mee. Weet je daar raad mee? Hoe help je dat dragen?

Mooiste zin

‘Ben ik zo stoer? Neen, dat is het niet. Van stoerheid is er in mijn zwakke momenten absoluut geen sprake, daar kan ik van getuigen. Het gaat om iets anders. Om een kracht die mij draagt en die ik van mezelf echt niet heb, dat weet ik wel zeker. Die kracht noem ik God. Zonder aarzeling. En ik ben er heel dankbaar voor.’

Redenen om dit boek niet te lezen

Geen. Of u moet (nog) niet over sterven en dood willen nadenken of niets met vrijzinnigheid hebben.

Redenen om dit boek wel te lezen

Berkvens’ boekje ontroert: ze schrijft integer en in alle eenvoud over wat er met haar gebeurt, zonder sentimenteel of krampachtig positief te worden. De sereniteit van haar laatste dagen, het inzicht dat het uiteindelijk om de onvoorwaardelijke aandacht voor de ander gaat – dat soort wijsheid leert een mens uiteraard niet uit een boekje. Maar de aantekeningen van Berkvens konden u wel eens op een kostbaar spoor zetten.



Een geredigeerde versie van deze recensie verscheen op 21 oktober 2018 in

logo Trouw