Banaan: scheldwoord of geuzennaam?

Recensie van Nicole Chung, ‘Wat je nooit zult weten‘ en Pete Wu, ‘De bananengeneratie. Over het dubbelleven van Chinese Nederlanders nu‘.


Bananen worden ze genoemd. Geel van buiten, wit van binnen. Verwesterde Oost-Aziaten, verwant aan de zogenaamde ‘bounty’s’, mensen met een donkerbruine huid en een wit innerlijk. Een mooi beeld voor de gelaagdheid van menig hedendaags wereldburger? Of een gemeen scheldwoord voor mensen die niet zijn wat ze lijken? Die nergens echt bij horen, al doen ze nog zo hun best?

De Koreaans-Amerikaanse Nicole Chung (1981) doet er in ‘Wat je nooit zult weten’ een schrijnend boek over open. Haar Koreaanse ouders emigreren in de jaren zeventig naar de Verenigde Staten, waar het hele gezin zich de blubber werkt in hun winkel. En als moeder dan veel te vroeg bevalt van alweer een dochtertje (Nicole) en de ziekenhuisrekening het budget te boven gaat, besluit vader dat het ‘het beste’ is om de baby meteen na de geboorte af te staan.

En zo komt Nicole als godsgeschenk terecht bij een kinderloos katholiek echtpaar, via een razendsnelle, ‘gesloten’ adoptie, waarbij toekomstig contact wordt uitgesloten. Haar nieuwe, blanke ouders zijn dol op haar en bezweren haar van jongs af aan dat haar andere huidskleur er niet toe doet – ook al begint er soms een familielid jolig over ‘gebakken lijst’. Maar de spierwitte buitenwereld van het Amerikaanse stadje waar Nicole opgroeit, is een stuk minder kleurenblind: op school wordt ‘spleetoog’ Nicole buitengesloten en gepest; pas als ze als student aan de universiteit tussen mede-Aziaten belandt, voelt ze zich niet aangestaard en bespot.

Chung vertelt wat zo’n onzorgvuldige interraciale adoptie met een mens doet – en dat is niet gering. Je hele jeugd het gebeten buitenbeentje zijn èn niet weten wie je biologische ouders zijn en waarom die je nou precies hebben afgestaan: zie daaronder maar eens emotioneel overeind te blijven.

Als ze dan zelf zwanger is, besluit ze op zoek te gaan naar haar Koreaanse familie. En dat leidt niet tot een onverdeeld happy end. Want al klikt het geweldig met haar hervonden zus Cindy, de onzekerheid over wie ze is en of ze het wel goed doet, lijkt er zelfs alleen maar van te groeien. Ze spreekt immers geen Koreaans en is doodsbenauwd dat ze haar familie opnieuw zal teleurstellen.

Ook hakt het erin dat ze (ook na dit boek?) altijd een familiegeheim zal moeten blijven, omdat haar vader uit schaamte iedereen heeft wijsgemaakt dat ze bij haar geboorte overleden is. En wil je wel te maken hebben met een moeder die je oudere zusje bijna dagelijks mishandelde?

‘Wat je nooit zult weten’ doet hypergedetailleerd verslag van alle emoties en twijfels die Chung tijdens en ook na haar zoektocht met zich meetorst. Dat had hier en daar wel minder gemogen: niet elke halve centimeter ontsluiting tijdens de bevalling van haar eigen dochtertje boeit en haar eindeloze getob over ‘wat als’ en ‘misschien zou’ – hoe verklaarbaar dan ook – gaat na tweehonderd opgerekte pagina’s toch licht irriteren. Maar als u wilt weten hoe complex een (intercontinentale) adoptie kan uitpakken, dan heeft u aan Chung een gevoelige stem.


Dat de tijd rijp is voor verhalen over hoe westerlingen van Oost-Aziatische komaf met hun identiteit worstelen, blijkt ook uit ‘De bananengeneratie’ van de Chinese Nederlander en Volkskrant-journalist Pete Wu (1985). Ook hij is een ‘banaan’, al wil hij wel even rechtgezet hebben dat Aziaten helemaal niet geel zijn, net zo min als Indianen rood – die gekleurde hokjesgeest hebben we te danken aan de indelingsdrift van de verder toch verdienstelijke botanist Linnaeus.

Geboren in Middelburg, opgegroeid in Tilburg in de vette frietlucht van het cafetaria waar zijn ouders zich zeventig uur in de week afbeulen en dus geen tijd hebben voor gezellig westers geknuffel, samen gaan zwemmen of complimenten. En die vanuit hun patriarchale cultuur ook niet accepteren dat zoon Pete homo is: als hij dan eindelijk via WhatsApp bij zijn ouders uit de kast is gestapt, beveelt zijn vader hem a. zijn overleden grootvader hiervoor excuses te maken en b. binnen één jaar heteroseksueel te worden.

Geheel in de traditie van de emancipatieliteratuur begint Wu’s verhaal met het besluit dat hij zich niet langer wil schamen voor wie hij is: Chinees en homoseksueel. Waar hij vroeger met een boog om mede-Chinezen heenliep, zet hij nu zijn journalistieke en literaire talenten in om te beschrijven hoe hij en zijn collega-bananen van de tweede generatie ‘het droppingspel’ in Nederland proberen uit te spelen.

Daarnaast heeft hij de nodige sociaalwetenschappelijke cijfers paraat en beent hij allerlei (ook seksuele) stereotypen over Aziaten uit: intelligent, ambitieus, zwijgzaam, harde werkers, modelminderheid. Maar ook: emotieloos, onderdanig, klein en onmannelijk en daardoor als (homo)man pijnlijk ongewild op de digitale relatiemarkt.

‘De bananengeneratie’ is een mooie combinatie van journalistiek onderzoek en een persoonlijke speurtocht naar een standpunt dat past bij wie je bent en wilt zijn; Wu’s boek doet geregeld denken aan Sunny Bergmans documentaires over uiterlijk en vrouwelijkheid. Zo begint hij zich meer te ergeren aan het terloopse racisme dat Nederlandse Chinezen dagelijks te verstouwen krijgen, van ‘sambal bij?’ tot ‘Hoe lang is een Chinees?’ en ‘hondeneter’.

Ook de media geeft hij van jetje om het beeld dat je daarin als Chinees van jezelf krijgt voorgeschoteld; Wu kan echt niet meer lief meelachen om een Gordon die een paar jaar terug bij ‘Holland’s Got Talent’ leuk dacht te wezen met ‘#39 met rijst!’ toen er een Chinees op het podium verscheen. Wu’s wrange conclusie: als nieuwkomer hoor je er in Nederland nooit helemaal bij.

Toch strandt zijn verhaal niet in sneu geklaag. Ja, Wu is een banaan, maar dat klinkt bij hem eerder als een geuzennaam. Hij is trots geworden op zijn Chinese kant en begint zich zelfs thuis te voelen bij de saamhorigheid van een Chinese kerkdienst of een Aziatisch glamourfeest in Rotterdam, al is hij een agnost in een doordeweeks kloffie. Maar ook zijn witte, Nederlandse binnenkant hoort bij hem.

Wat mij nog het meest ontroerde: gaandeweg zijn onderzoek krijgt hij steeds meer begrip en waardering voor zijn ouders en de reusachtige offers die zij hebben gebracht voor een betere toekomst voor hun kinderen. Die dankbaarheid noemt hij “een echo die rijmt op ‘ik ook van jou’.” Wouw.



Een geredigeerde versie van deze recensie verscheen op 7 december 2019 in logo Trouw