Rubiks kubus liegt nooit

Recensie van Ernö Rubik, ‘Cubed. Het verhaal van de kubus en zijn uitvinder.’ Vertaald door Fred Hendriks. Thomas Rap, 224 blz., € 19,99


Rubiks kubus. Weet u nog? Begin jaren ’80? Dat verduvelde hebbeding van 3 x 3 x 3 vlakjes, waarvan je in een handomdraai een kleurige chaos maakte? Die ik vervolgens echt niet meer in de oorspronkelijke toestand kreeg, met aan elk zijvlak dezelfde kleur? En dus belandde die bron van frustratie achterin een la, waar hij veertig jaar later helaas niet meer bleek te liggen. Maar ach, zo gaat dat met rages, die zijn immers niet voor de eeuwigheid.

Hyperphype

Wie echter denkt dat dat ding net zo’n tijdelijke gekte was als flippo, wuppie of wordfeud, doet de kubus tekort, vindt zijn bedenker Ernö Rubik (Boedapest, 1944). Ja, de kubus was indertijd een hyperhype. Eén op de zeven mensen (dat is meer dan een miljard) schijnt er wel eens mee gespeeld te hebben. En nu het toch over indrukwekkende getallen gaat: wist u dat er dik 43 triljoen (dat zijn 18 nullen) toestanden zijn waarin de kubus zich kan bevinden? Dat Rubik er zelf aanvankelijk een hele maand over deed om hem op te lossen? En dat het huidige wereldrecord ‘speedcubing’ op 3,47 seconde (!) staat?

In ‘Cubed’ doet Rubrik stap voor stap verslag van hoe hij in 1974 de kubus uitvond. Mooi detail: hij was helemaal niet van plan om een spel te bedenken; als docent architectuur en design wilde hij alleen maar een slim driedimensionaal leermiddel maken waarmee hij zijn studenten kon genezen van hun ‘ruimteblindheid’. Tussendoor geeft hij de lezer een aantal interessante en meestal begrijpelijke lessen in de beschrijvende geometrie, systeemtheorie, Plato en begrippen als perfectie en intelligentie. Ook heeft hij het een en ander aan levenswijsheid te melden over hoe belangrijk het is voor een uitvinder is om kinderlijk toegewijd, speels en nieuwsgierig te blijven en ‘met je handen te denken’.

Circusattractie

Vermakelijk wordt het zelfs als Rubik vertelt over hoe zijn puzzel in 1980 vanachter het toen nog IJzeren Gordijn een commercieel wereldsucces werd; hoe hij met een zeldzaam ‘blauw paspoort’ naar het Westen mocht en zich op internationale speelgoedbeurzen een circusattractie voelde. Totdat de markt na drie jaar verzadigd was en The New York Times in een necrologie de rage dood verklaarde.

Mij is het indertijd ontgaan, maar de kubus blijkt daarna een tweede, dit keer duurzaam leven te zijn begonnen, met ondertussen zo’n 400 miljoen verkochte exemplaren. Geen eendagsvlieg dus, maar een blijvertje, getuige ook alle internetplatforms, officiële competities en duizenden apps die er tegenwoordig rond bestaan. Een nog altijd geinig en leerzaam speelgoed, geliefd onder kinderen, vernuftelingen en nerds op alle continenten. Maar ook en vooral, stelt Rubik in alle (valse) bescheidenheid, een iconisch object van brede culturele betekenis, met een plek in het Museum of Modern Art in New York en rollen in films en reclames.

Pythagoras

Het mysterie van dat succes verklaart hij uit hoe de kubus een combinatie is van basale tegenstellingen als stabiliteit en beweging, chaos en orde, diversiteit en verbinding, intuïtief en algoritmisch denken. Met zelfs universele dimensies: de lol die zoveel stervelingen eraan beleven, zou maar zo te maken kunnen hebben met de eeuwige wenteling van de aarde om de zon en de wereldwijde magie van het getal drie waar Pythagoras al zo dol op was. Nee, de drang om de kubus alsnog op te lossen heeft ‘Cubed’ niet in me gewekt. Maar dat samenspel van wiskunde en natuurfilosofie? Fascinerend.


Een geredigeerde versie van deze recensie verscheen op 26 september 2020 in