Flauw vermaak of antisemitisme?

Recensie van Ewoud Sanders, ‘Lachen om Levie. Komisch bedoeld antisemitisme (1830-1930)’. Walburgpers, 120 blz., € 15,-


Op Eerste Kerstdag 1854 kon u in Amsterdam voor tien cent een geinig drukwerkje kopen: ‘Belangrijke brief van een Amsterdamschen jood, vrijwilliger in het Fransche leger, voor Sebastopol, aan zijne moeder in de Batavierstraat te Amsterdam’. Een voormalig schoolmeester uit de Jordaan, Jan Schenkman (1806-1863), voerde daarin ene Levie Mozes Zadok op, een sjofele Joodse schoenpoetser en kermisartiest die zich met een dronken kop had laten ronselen voor het Franse leger en nu zeer tegen zijn zin de Russische havenstad Sebastopol lag te belegeren. In acht kantjes beschrijft hij aan zijn ‘memmele’ (Jiddisch voor moeder) hoe hij daar probeert te overleven terwijl de kogels hem om de oren vliegen.

‘Levie Zadok’ werd een rage: zijn brief was binnen een dag uitverkocht, op 27 december verscheen de tweede druk, twee dagen later alweer een derde. Dat smeekte natuurlijk om een vervolg: in totaal zouden er tussen 1854 en 1894 maar liefst 29 brieven van Levie Zadok en verwante figuren verschijnen, waarin hij wilde deserteren, dood ging (maar niet heus), gedumpt werd door zijn verloofde, korporaal werd, in Moskou terechtkwam enz. Die verhalen waren overigens lang niet allemaal van Jan Schenkman: ook andere (vaak anonieme) auteurs pikten graag zo veel mogelijk graantjes mee.

Lijpie Smoel en Vogeltje Voddenmand

Vanwaar dit succes? Was het de aanklacht tegen de bloedige Krimoorlog? Schenkmans vlotte pen? Zou kunnen. Maar de voornaamste verklaring zit, stelt Ewoud Sanders, toch in de lol die het 19e eeuwse lezerspubliek kennelijk had aan het bespotten van wat voor typisch Joods doorging: arm, vuil, sjacherend. Laf ook, dus een lachertje als frontsoldaat. Behept met koddige namen (‘Lijpie Smoel’, ‘Vogeltje Voddemand’) en een plat Jiddisch accent (‘Hamsterdam aan de Hamstel’, ‘sjchiete’ voor ‘schieten’), vol hilarische verhaspelingen (‘zurezijn’ voor ‘chirurgijn’, ‘koeiezak’ voor ‘kozak’).

Talloze gezellige avonden, bruiloften en partijen zijn indertijd opgevrolijkt met een luimige Zadok-sketch, waarbij de voordrager voor een extra olijk effect liefst ook nog een grote kromme neus opdeed.

Miespelende bultenaar

Flauw maar goedmoedig vermaak? Of regelrecht antisemitisme? Zover wil Sanders niet gaan, althans niet als het over Jan Schenkman gaat. Die nam het in 1858 immers (in het nep-Jiddisch) ondubbelzinnig op tegen paus Pius IX, toen die een zesjarig Joods jongetje uit Bologna wreed bij zijn ouders had laten weghalen om het katholiek te laten opvoeden. Ook kan Sanders als taalhistoricus (hij heeft de wekelijkse taalrubriek ‘Woordhoek’ in de NRC) wel waardering opbrengen voor hoe Schenkman en zijn navolgers speelden met het toen springlevende Jiddisch, al werd dat soms wel erg dik aangezet. Maar van het venijn waarmee de ‘guitige’ pater-jezuïet Van Meurs in 1868 Levie Zadok als beroepsbedrieger nieuw leven inblies, zal nu toch geen hond meer brood lusten: een miespelende bultenaar met gluipende oogjes, ‘scheel als duiveltjes in rood fluweel’…

Voddenjood

Ach, zult u denken, dat was vroeger, we zijn nu door schade en schande gevoeliger geworden voor stereotypering en racisme, hoe lastig de relatie tussen humor en moraal soms ook is – google er de Tijdgeest van 3 oktober maar op na. Nu, dan heeft Sanders nog een verrassende uitsmijter voor u. Wist u bijvoorbeeld dat stoute kindertjes vroeger bang gemaakt werden met de zak van de ‘voddenjood’, die aan de deur kwam om oude kleren? En dat die rol van kinderschrik halverwege de 19e eeuw overging naar Sinterklaas’ zwarte knecht, die in 1850 was uitgevonden door nota bene Jan Schenkman? O ironie. O schrijnende ironie.


Een geredigeerde versie van deze recensie verscheen op 31 oktober 2020 in