Vier eigenwijze Engelse zussen

Recensie van Sarah Watling, ‘Nobele wilden. De Oliviers: vier vrouwenlevens.’ Uit het Engels vertaald door Mariella Duindam. Athenaeum-Polak & Van Gennep., 552 blz., € 27,50


Vrouwengeschiedenis op haar breedst

Vier Engelse zusjes die rond 1900 bij zonsopgang door het bos renden, onvindbare boomhutten bouwden, veel meer durfden dan alle jongens uit het dorp en bloot als een bosnimf in de rivier sprongen. Terwijl hun ouders toch uit de betere burgerij kwamen: moeder Margaret was de dochter van een rechter en vader Sidney zou het nog tot minister van India brengen.

De meisjes Olivier groeiden op in een intellectueel milieu vol nobele idealen: hun ouders kenden elkaar van de socialistische Fabian Society, waar hartstochtelijk gediscussieerd werd over kapitalisme, de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog en het eenvoudige leven op het platteland. Er kwamen bekende schrijvers als C.S. Lewis, H.G. Wells en George Bernard Shaw over de vloer en Virginia Woolf woonde om de hoek.

Oranje streepje

En hoewel D.H. Lawrence de Oliviermeisjes vele tikkeltjes te wild vond, werd de deur al gauw plat gelopen door smachtende aanbidders die niet altijd precies wisten op wie ze nu het meest verliefd waren. Was het op de intelligente en temperamentvolle oudste, Margery? De oogverblindende schoonheid van nummer twee, Brynhild? De wilde krullen van de dromerige, gevoelige Daphne? Of toch maar op het oranje streepje in de grijze ogen van de ongrijpbare jongste, Noel? Veel haast om zich in een huwelijk aan een man te onderwerpen hadden de zussen echter niet: ze waren vooral druk met petities voor vrouwenkiesrecht en academische ambities, in een tijd dat studeren nog slecht voor je eierstokken heette te zijn.

Het is voorwaar geen kleine klus die historica Sarah Watling heeft aangepakt: de biografie van maar liefst vier onconventionele, eigenwijze vrouwen die elk op hun eigen manier zo intensief mogelijk hebben geleefd. Neem Margery, de oudste van stel. Toen de rest van het gezin vanwege vaders werk naar Jamaica vertrok, was zij (koud 22) in Engeland opeens verantwoordelijk voor het welzijn van haar jongste zusje, Noel. En dat viel niet mee met de knappe, zeer van zichzelf vervulde dichter Rupert Brooke (hij was 21) in de buurt, die de pas 15-jarige Noel ziekelijk obsessief belaagde. Zelf bleef Margery evenmin gespaard voor de waanzin: ze zou een groot deel van haar leven tegen haar zin opgesloten zitten in een inrichting vanwege schizofrenie.

Nuchter plan

Of neem de seksueel vrijmoedige Brynhild, die na een ingewikkelde drie- en vierhoeksverhouding al in 1924 het lef had om te gaan scheiden. En dan Daphne, de muzikaalste en spiritueelste zus. Ze raakte in de ban van de antroposoof Rudolf Steiner en stichtte de eerste Vrije School in Groot-Brittannië – ik geef het u te doen, in een tijd en land dat witheet werd van alles dat naar Duitsland rook. Watlings grootste bewondering geldt echter Noel, die al heel jong haar eigen, nuchtere plan trok en kinderarts werd.

Vier hoofdpersonen met zo’n bewogen en ingewikkeld sociaal leven, dat levert natuurlijk een heerlijk dik boek op. Maar hoewel Watlings zich wijselijk beperkt tot een verhaal in zeven episodes, werd ik helaas al gauw tureluurs van het oerwoud aan namen en details die alleen maar afleiden van de toch al lastig te volgen hoofdlijnen.

Desondanks kan ik erin komen dat de Britse pers zo lyrisch werd van  ‘Nobele Wilden’. Vier zussen voor wie dik honderd jaar terug het feminisme al vanzelf sprak, die op de golven van de geschiedenis elkaar konden haten en toch voor elkaar op bleven komen: dat is vrouwengeschiedenis op haar breedst.


Een geredigeerde versie van deze recensie verscheen op 24 oktober 2020 in