Zinderende weesmeisjes

Recensie van Andrés Barba, Kleine handen. Uit het Spaans vertaald door Irene van de Mheen en Jos Kockelkoren. Bezig Bij, 110 blz., € 17,99


Kaft Barba Kleine handenAndrés Barba kruipt in de lijfje van Marina (7) die bij een auto-ongeluk haar ouders verliest en in een weeshuis belandt.

Vorig jaar maakt de Spaanse schrijver Andrés Barba (1975) diepe indruk op me met zijn ‘Republiek van licht’, een beklemmende roman over hoe 32 zwerfkinderen het leven in een Zuid-Amerikaanse provinciestad ontwrichtten. Barba’s roman ‘Het zusje van Katia’ was eerder al vertaald in het Nederlands; Mijke de Jong maakte er in 2008 een film van die nog steeds ontroert, met het verhaal van een jong meisje dat in de harde wereld van de Amsterdamse prostitutie anderen probeert te troosten en te verzorgen. Ook het inmiddels twaalf jaar oude, nu dan vertaalde ‘Kleine handen’ gaat over kinderen: over hun onschuld en afhankelijkheid, maar ook over hun wreedheid en macht, dit keer vooral ten opzichte van elkaar.

In ‘Kleine handen’ is Barba in het lijfje van het zevenjarige meisje Marina gekropen, vanaf het moment dat ze na een verkeersongeluk gewond in het ziekenhuis ligt en te horen krijgt dat haar vader op slag dood was en haar moeder in coma ligt. In de eerste hoofdstukken van deze novelle bewijst Barba in prachtig proza andermaal hoe goed hij zich kan verplaatsen in kinderen als hij laat zien hoe de woorden ‘Mijn vader was op slag dood en mijn moeder overleed in het ziekenhuis’ zich ‘als dingen’ in Marina’s hoofd nestelen en haar identiteit gaan bepalen.

Kapotte slaapogen

Of wanneer ze het ongeluk keer op keer in slow motion beleeft, in sensuele, zintuigelijke zinnen over het doffe zeegeluid van de weg onder de banden, de stilte na de klap, de metaalsmaak in haar mond, de zwarte uitgroei in het haar van de geblondeerde vrouw die haar water geeft, de grote handen van de man die haar op de brancard legt, terwijl ze het gevoel heeft dat ze ‘van klei’ is en dat alles in haar ‘zacht, vormeloos en glibberig’ is. Over hoe ze zich tijdens haar revalidatie vaag verplicht voelt te huilen, van de psychologe een huis moet tekenen en een pop met kapotte slaapogen krijgt. En hoe ze na een paar maanden te horen krijgt dat ze naar een weeshuis gaat – een woord dat haar op dat moment nog niets zegt.

Nee, dat leidt niet tot Dickensiaanse taferelen: de directrice en andere volwassenen zijn (in al hun onnozelheid) zelfs uitgesproken aardig voor het beeldige en braaf ogende kind. Het drama van ‘Kleine handen’ zit vooral in de zinderende spanning tussen de donkere en mysterieuze Marina en de andere, ‘gewone’, anonieme meisjes van het weeshuis, die de tweede, collectieve, helaas nogal onnatuurlijk klinkende wij-stem van het verhaal vormen. Ze bewonderen en benijden haar omdat ze als enige ooit in Disneyland Parijs en met de echte Mickey Mouse op de foto is geweest, ze willen de littekens van haar auto-ongeluk zien, fantaseren over haar, ‘omdat we geen andere manier kenden om van iemand te houden’ en likken aan de ogen van haar pop.

Nachtelijke spelletjes

Maar Marina wordt ook gepest en vernederd en haar pop wordt verminkt. Waartegen ze geen ander verweer weet dan te stoppen met eten, waarmee ze inderdaad ontzag afdwingt bij de andere meisjes – Barba knoopt keurig aan bij op de psychologische items van de jaren ‘00 van deze eeuw. Ook laat hij Marina besluiten haar deerniswekkend jonge seksualiteit uit te spelen.

Uiteindelijk loopt dat natuurlijk uit de hand, in nachtelijke sadomasochistische spelletjes, waarin de meisjes zich onder Marina’s regie gehoorzaam en gretig om de beurt de rol van zwijgende, willoze en lijdzame pop laten toebedelen, uitgekleed worden (‘Haar onderbroek ook?’ ‘Ja, haar onderbroek ook’) en met veel lippenstift, rouge en oogpotlood op met zich moeten laten spelen en de zoekende, kleine handen van de anderen moeten ondergaan.

En als de meisjes overdag weer hun normale, schaamtevolle en vijandige zelf zijn en nachtelijke gangmaakster Marina voor hoer uitmaken, zijn er niet veel uitwegen meer denkbaar in dit conflict tussen licht en duister, collectief en eenling, schaamte en (vrouwelijke) seksualiteit, beheersing en overgave, zo blijkt ook uit Barba’s veelvuldige verwijzingen naar de wolf, ‘Alice in Wonderland’, Rainer Maria Rilke’s ‘Requiem auf den Tod eines Knaben’ en het lijdensverhaal. Al had ik eerlijk gezegd toch liever gezien dat hij de gave en subtiele psychologie van het begin van Marina’s verhaal in de laatste hoofdstukken niet had opgeofferd aan al die literaire contrasten.

Een geredigeerde versie van deze recensie verscheen op 21 maart 2020 in

logo Trouw