Zes eeuwen ‘typisch Feith’

Recensie van Arlette Kouwenhoven, Van Elburg tot Deshima. Zes eeuwen familie Feith. LM Publishers, 240 blz.


In 1819 werd hij uitgeroepen tot de beste dichter van het land, beter nog dan Bilderdijk en Tollens: Rhijnvis Feith (1753-1824). Ook toen hij al een eeuw in zijn graf lag, trok de theekoepel waar hij indertijd zou hebben zitten schrijven, nog heel wat bewonderaars. De canon van de Nederlandse letterkunde heeft hij uiteindelijk niet gehaald, hoewel zijn tranenrijke ‘Julia’ vaak genoeg is vergeleken met Goethes ‘Werther’.

Maar waar Goethe onsterfelijk klassiek zou worden, werd Feith steeds verder weggehoond als ‘sentimentalist’- vier generaties later voelde nazaat Jan zich zelfs genoodzaakt om op het schoolplein voor hem op de vuist te gaan, toen een leraar zijn betovergrootvader belachelijk had gemaakt. Vandaag de dag zal de dichter van ‘Uren, dagen, maanden, jaren vliegen als een schaduw heen’ voor de meesten van ons alleen nog maar een wat wonderlijke naam op een straatbordje in de schrijversbuurt zijn. Lees verder

Oude koffer, verdwenen adel

Recensie van Pauline Terreehorst, HET GEHEIM VAN DE GUCCI-KOFFER. HOE DE ADEL VERDWEEN UIT MIDDEN-EUROPA VERDWEEN. Prometheus, 294 blz.


Kaft Terreehorst

Natuurlijk, vlak Parijs niet uit. Of Sint-Peterburg. Maar dik honderd jaar geleden lag het centrum van Europa ook echt in het centrum van Europa. In het Pruisische Berlijn en het Wenen van de Oostenrijkse keizers, die door slim te trouwen sinds 1867 ook nog eens koning van Hongarije waren. Waar het wemelde van de vorstendommen met prinsessen, graven, hertoginnen en andere (oeroude) adel, die natuurlijk bijna allemaal dol waren op bals en jagen en in een middeleeuwse slot woonden.

Lees verder

Facebook anno 1600

Interview met Sophie Reinders (1984), docente historische letterkunde aan de Universiteit Utrecht. Vorige week promoveerde ze cum laude op De mug en de kaars. Vriendenboekjes van adellijke vrouwen 1575-1640. Vantilt. 528 blz.


Kaft Reinders, Mug“Mijn boek gaat over de vriendenboekjes die rond 1600 opeens hip waren onder jonge adellijke vrouwen, vooral in Gelderland en Overijssel. Het bestaan van deze bronnen was wel bekend, maar er was nog nooit iemand de archieven ingegaan om eens te kijken wat er nog lag. Uit de ruim veertig boekjes die ik al met al gevonden heb, heb ik geprobeerd de leefwereld te reconstrueren van deze vrouwen, van wie we verder nauwelijks sporen hebben.

Ze zetten in elkaars albums allerlei deugdzame spreuken, motto’s, versjes en tekeningen, soms superuitgebreid en heel mooi, maar vaak ook heel slordig en onleesbaar: ik heb eindeloos in archieven onder tl-licht naar bladzijden zitten staren waar ik niet uitkwam. Lees verder